Indien de belanghebbende aanspraak kan maken op een andere wettelijke regeling, dan heeft het college geen compensatieplicht (artikel 2 Wmo). Voorbeelden zijn:
AWBZ-vervoer
Op grond van de AWBZ bestaat aanspraak op vervoer van en naar de locatie waar belanghebbende Begeleiding-Groep ontvangt en van en naar de instelling waar belanghebbende Behandeling ontvangt. Voor kinderen kan aanspraak op vervoer bestaan van en naar de locatie van een kindercentrum op grond van de AWBZ.
Ziekenvervoer Zvw
Op grond van de Zvw bestaat aanspraak op zittend ziekenvervoer als de belanghebbende onder doelgroep valt (nierdialyses moet ondergaan, oncologische behandelingen met chemotherapie of radiotherapie moet ondergaan, zich uitsluitend per rolstoel kan verplaatsen of het gezichtsvermogen zodanig is beperkt dat hij zich niet zonder begeleiding kan verplaatsen) of met succes een beroep kan doen op de hardheidsclausule. Ook ambulancevervoer valt onder de Zvw.
Leef vervoer WIA
Op grond van de WIA kan aanspraak bestaan op een zogeheten leefvervoersvoorziening (artikel 35 lid 3 WIA). Dat is een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 2 Wmo omdat de vervoersvoorziening betrekking heeft op dezelfde vervoersfunctie in de leefsfeer als artikel 4 lid 1 onder c Wmo (CRvB 21-03-2012, nr. 09/6719 WMO).
Vervoer onderwijs
Er kan aanspraak bestaan op vervoer van en naar school op grond van de Verordening Leerlingenvervoer. Het UWV kan vergoedingen en hulpmiddelen verstrekken voor leerlingen en studenten met een ziekte of handicap.
Het gaat om situaties waarin een aanspraak bestaat. Dit betekent dat een dergelijke aanspraak rechtens kan worden afgedwongen door bezwaar en (hoger) beroep in te stellen tegen besluiten of een nieuwe aanvraag in te dienen.
Hoofdstuk 12
Artikel 12.3
Wettelijke voorliggende voorzieningen
Onderdeel van Beleidsregels voorzieningen Wmo gemeente Noordoostpolder 2014