Naar hoofdinhoud
Indien geen zienswijze naar voren wordt gebracht binnen de daarvoor gestelde termijn, wordt besloten de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen in te trekken. In het geval de vergunninghouder wel een zienswijze naar voren brengt over het voornemen tot intrekking, wordt afhankelijk van de argumenten die worden aangevoerd inzake het niet (tijdig) uitvoeren van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, besloten of al dan niet tot intrekking wordt ingegaan. Redenen om (voorlopig) af te zien van het intrekken van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kunnen onder meer zijn: ● nadere (contractuele) afspraken tussen vergunninghouder en gemeente over de aanvang van de bouwwerkzaamheden; ● familiaire kwesties (overlijden, ziektes); ● andere onvoorziene omstandigheden. De genoemde punten dienen op een kenbare en aantoonbare wijze te worden onderbouwd. Het is aan het college van burgemeester en wethouders om dit te beoordelen en hier een standpunt over in te nemen. Terughoudend dient te worden omgegaan met argumenten die samenhangen met (juridische conflicten) met een aannemer of andere financiële gevolgen. Ingeval het college naar aanleiding van een zienswijze van vergunninghouder wenst af te zien van het intrekken van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, dan wordt aan vergunninghouder een termijn gegund waarbinnen alsnog overgegaan dient te worden tot het uitvoeren van de omgevingsvergunning. Per individueel geval wordt een redelijke termijn (van maximaal één jaar) gesteld waarbinnen met de bouwwerkzaamheden moet zijn aangevangen. Bij het laten verstrijken van deze termijn, kan zonder vooraanschrijving overgegaan worden tot het intrekken van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen.

Rechtspraak bij dit artikel