Naar hoofdinhoud
Burgemeester en wethouders maken gebruik van de bevoegdheid tot het verhalen van kosten van bijstand: 1. Tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoelt in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek op degene die bij het ontbreken van gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn echtgenoot of minderjarig kind niet of niet behoorlijk nakomt; 2. Tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoelt in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, op degene die zijn onderhoudsverplichting na echtscheiding of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed niet of niet behoorlijk nakomt; 3. Op degene aan wie de persoon die bijstand ontvangt of heeft ontvangen een schenking heeft gedaan voor zover bij het besluit op de aanvraag met de geschonken middelen rekening zou zijn gehouden als de schenking niet had plaatsgevonden, tenzij gelet op alle omstandigheden aannemelijk is geworden dat de schenker op het moment van de schenking de noodzaak tot het verkrijgen van bijstand redelijkerwijze niet heeft kunnen voorzien; 4. Op de nalatenschap van de persoon als: a. aan die persoon ten onrechte bijstand is verleend indien sprake is van een situatie als beschreven in artikel 16 onder a. voor zover voor het overlijden nog geen terugvordering heeft plaatsgehad: b. bijstand is verleend in de vorm van geldlening of als gevolg van borgtocht. 5. Op degene die zijn onderhoudsplicht op grond van artikel 395a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek niet of niet behoorlijk nakomt jegens zijn meerderjarig kind aan wie bijzondere bijstand is verleend. 6. Behalve in de gevallen als bedoeld in onderdeel 4, onder b, van dit artikel, worden kosten van bijstand die meer dan vijf jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot verhaal zijn gemaakt, niet verhaald.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel