1.Het lid van een commissie ontvangt voor het bijwonen van de vergaderingen van
een commissie een vergoeding die gelijk is aan het bedrag, vermeld in tabel IV van
het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden als bedoeld in artikel 96, tweede lid, van de Gemeentewet ontvangt.
Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een commissie a. als raadslid of wethouder;
uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een functie bij een instelling die
5
grotendeels van overheidswege wordt gesubsidieerd;
als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling, organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de commissie tevens in belangrijke mate het gemeentelijk belang dient.
De raad kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid in voorkomende gevallen een hogere vergoeding vaststellen, ten aanzien van
een lid van een commissie die op grond van zijn bijzondere beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de commissie voor deelname aan haar werkzaamheden is aangetrokken, en
een lid van een commissie ten aanzien waarvan de vergoeding niet geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van zijn taak en de omvang van de door hem te verrichten arbeid.
Hoofdstuk IV
Artikel 28
Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen
Onderdeel van Verordening voorzieningen wethouders, raads- en commissieleden