Er is landelijk onderzoek gedaan door de Nederlandse organisaties van vrijwilligers, waaruit blijkt dat maatschappelijke trends hun weerslag hebben op het vrijwilligerswerk. Arbeidsmarktontwikkelingen, de flexibilisering, individualisering en de toename van keuzen die men kan maken voor vrije tijdsbesteding hebben hun invloed op het aantal mensen dat zich vrijwillig wil inzetten voor de samenleving.
Daarnaast verandert “de vrijwilliger”. De traditionele vrijwilliger deed vanzelfsprekend vrijwilligerswerk binnen de traditie van kerk en gezin. Hij zette zich langdurig in voor een bepaalde organisatie en had daar ook een band mee. Hij committeerde zich aan het doel van de organisatie en vanuit die betrokkenheid kon hij allerhande taken verrichten.
Als oudere vrijwilligers hun activiteiten beëindigen zouden ze moeten worden afgelost door jongeren. Dit patroon heeft zich tussen 1985 en 2000 alleen voorgedaan bij het vrijwilligerswerk rond kind en school en alleen bij vrouwen. Voor de overige sectoren stagneerde de toestroom van jonge vrijwilligers en blijken de leden van de oudere generatie op hun post te blijven. Vooral in politiek en belangenbehartiging is dit het geval. Mogelijke oorzaken voor deze stagnatie zijn:
toenemend tijdgebrek, met name bij de werkende bevolking;
algemene opschorting van vrijwilligersactiviteiten tot de derde levensfase, als gezin en carrière niet meer in de weg staan;
een verschil in mentaliteit tussen oudere en nieuwe generaties, voortvloeiend uit verschillen in vorming en opvoeding.
Het vrijwilligerswerk zal naar verwachting in de toekomst te maken krijgen met een aantal maatschappelijke ontwikkelingen. Hier worden genoemd:
toenemende individualisering en afnemend gemeenschapsgevoel;
afnemende loyaliteit en minder gebondenheid aan één organisatie;
steeds hogere eisen die aan verenigingen worden gesteld;
voorkeur voor incidentele of projectmatige activiteiten, zonder teveel verplichtingen;
globalisering door toenemende informatietechnologie (tv, internet e.d.).
De diverse ontwikkelingen leiden tot de volgende voorspellingen:
het aantal oudere vrijwilligers zal toenemen, het aantal studenten (hogere studiedruk) en vrouwen (vaker betaalde arbeid) zal daarentegen afnemen;
de inzet van mannen zal gelijk blijven; de inzet van vrouwen zal verschuiven (van school, kinderopvang, hobby naar beroepsorganisaties, oudercommissies en sport);
de vraagkant is toegenomen en zal dat blijven doen;
teruggang van het meer traditionele vrijwilligerswerk (het vrijwilligerswerk waarbij iemand jarenlang trouw blijft aan dezelfde vereniging);
het vasthouden aan een specifiek soort vrijwilligerswerk neemt af;
de vrijwilliger wil werk doen dat incidenteel en niet verplichtend is;
het wordt moeilijker om vrijwilligers te vinden voor kaderfuncties, die voor een langere periode inzet vragen;
de vrijwilliger heeft meer keuzemogelijkheden en is minder gebonden aan één bepaald type organisatie;
het vrijwilligerswerk is meer gerelateerd aan de eigen interesses en belevingen en minder aan een algemeen gevoel van verantwoordelijkheid voor de naaste.
De “nieuwe” vrijwilliger zal zich dus niet jarenlang binden aan een organisatie, maar wil voor een kortere periode taken verrichten. Hij zal zich wel aan het doel van de organisatie committeren, maar stelt daarnaast een aantal kwaliteitseisen aan de taken die hij verricht. De “nieuwe” vrijwilliger is er op uit om win-win situaties te creëren, waarbij hij/zijzelf ook nieuwe vaardigheden kan leren of trainen.
Door de vrijwilligersorganisaties worden vooral knelpunten genoemd wat betreft de werving van vrijwilligers en bestuursleden. Het imago van de organisaties is niet goed ontwikkeld. De kwaliteitseisen voor het werk van de vrijwilligersorganisaties vanuit de omgeving zijn hoger geworden en daarmee is er behoefte aan deskundigheidsbevordering en instroom van nieuwe (jonge) vrijwilligers.
Samenvattend leidt het bovenstaande op basis van theorie en onderzoek tot het volgende beeld:
Er is sprake van vraag (naar vrijwillige arbeid) en van een aanbod (aan vrijwilligersinzet) en het is de kunst om vraag en aanbod bij elkaar te brengen. Het is, meer dan voorheen, ook een bewegende markt met op sommige plekken situaties van schaarste. Er is niet zozeer sprake van een afnemend aanbod maar van een veranderend aanbod. En die verandering kan spanning in de markt veroorzaken.
Er zijn drie belangrijke oorzaken voor de veranderingen aan te wijzen:
De vrijwilliger is mondiger geworden en stelt meer eisen dan vroeger het geval was.
Er is sprake van vergrijzing in het aanbod aan vrijwilligers. Jongeren kiezen minder vaak voor vrijwillige inzet; het vrijwilligerswerk heeft een stoffig imago.
Vrijwillige inzet op korte termijn basis krijgt bij vrijwilligers in toenemende mate de voorkeur boven lange termijnverplichtingen en een vaste regelmaat.
Voor de organisaties betekent dat dat men in toenemende mate aandacht moet besteden aan
het aantrekkelijk maken van het werk (ook voor jongeren)
het flexibiliseren van het werk in omvang, tijd en aard
het vergroten van de kwaliteit van (de begeleiding van) het werk.
Hoofdstuk
Artikel Knelpunten en ontwikkelingen
Artikel Knelpunten en ontwikkelingen
Onderdeel van Kadernota Vrijwilligersbeleid gemeente Bladel