**1..** Aanbouw: grondgebonden toevoeging van een bouwlaag aan een gevel van een gebouw.
**2..** Achterkant: de achtergevel, het achtererf en het dakvlak aan de achterzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde niet direct grenst aan de weg of openbaar groen.
**3..** Afgestemd op zijn omgeving: ais in voldoende mate rekening is gehouden met de vorm, de kleur en het materiaalgebruik van de omliggende gebouwen. Dit kan zowel verwant, identiek als afwijkend zijn. Evenwicht met de bestaande omgeving geldt als uitgangspunt.
**4..** Authentiek: de mate waarin een gebouw oorspronkelijk of uniek is vormgegeven, verbouwd of gewijzigd is. Dit kan zowel op een verwante, identieke ais afwijkende wijze.
**5..** Bestemmingsplan: een plan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening.
**6..** Bijgebouw: gebouw dat bij een hoofdgebouw hoort en los van het hoofdgebouw op het erf
**7..** of kavel staat; meestal bedoeld ais schuur, berging tuinhuis of garage.
**8..** Borstwering: lage dichte (gevel)muur tot borsthoogte.
**9..** Boeiboord: opstaande kant van een dakgoot of dakrand, meestal uitgevoerd in hout of plaatmateriaal.
**10..** Bouwblok: een aan alle zijden door straten, wegen of groen begrensde groep gebouwen, die een stedenbouwkundige eenheid vormt.
**11..** Bouwlaag: een boven peil gelegen en doorlopend gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en kap.
**12..** Carport: afdak om de auto onder te stallen, meestal bij een woning.
**13..** Dak: afdekking van een gebouw, vlak of hellend, waarop dakbedekking is aangebracht.
**14..** Dakhelling: de hoek van het dak.
**15..** Dakkapel: uitbouw op een hellend dak.
**16..** Dakopbouw: een toevoeging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok van het dak, die het silhouet van het oorspronkelijke dak verandert.
**17..** Dakraam: raam in een hellend dak.
**18..** Dakvoet: laagste punt van een hellend dak,
**19..** Detail: ontmoeting van verschillende bouwdelen zoals gevel en dak of gevel en raam.
**20..** Erf: onbebouwd stuk grond behorende bij een woning.
**21..** Erker: kleine toevoeging van meestal een bouwlaag aan de gevel van een gebouw, meestal uitgevoerd in hout en glas.
**22..** Geleding: verticale of horizontale indeling van bijvoorbeeld de gevel door middel van inspringingen of verschillend materiaalgebruik.
**23..** Gevel: buitenmuur van een gebouw.
**24..** Geornamenteerd: van ornamenten voorzien, versierd.
**25..** Hoekkeper: dakrib die de uitspringende hoeken van een dak vormt.
**26..** Individueel gebouw: zelfstandig, op zichzelf staand gebouw.
**27..** In zijn omgeving passend: de mate waarin rekening is gehouden met de maat, schaal en massaopbouw van gebouwen in de omgeving van het nieuwe bouwwerk, dit kan zowel verwant ais contrasterend zijn.
**28..** Luifel: een plat uitgebouwd afdak, vaak boven een deur of bij een winkelgevel.
**29..** Maaiveld: bovenzijde van het terrein dat een bouwwerk omgeeft, de grens tussen grond en lucht.
**30..** Massa: volume van een gebouw of bouwdeel.
**31..** Negge: terugspringende kant van een muur bij de kozijnen.
**32..** Nok: horizontale snijlijn van twee dakvlakken, de hoogste lijn van het dak.
**33..** Ondergeschikt: voert niet de boventoon.
**34..** Ontsluiting: de toegang tot een terrein of een gebouw.
**35..** Oogstrelend: heeft te maken met schoonheidsbeleving. Of een bouwwerk als ''oogstrelend' gekwalificeerd kan worden hangt af van bouwesthetiek. Deze wordt bepaald door maatverhoudingen, de compositie van de onderdelen en de samenhang. Een oogstrelend gebouw kan zowel complex als enkelvormig, verfijnd of groots, harmonieus of contrasterend zijn.
**36..** Oriëntatie: de richting van een gebouw.
**37..** Overkapping: carport of luifel
**38..** Overstek: bouwdeel dat vooruitsteekt ten opzichte van het eronder gelegen deel.
**39..** Peil: de bovenkant van de afgewerkte begane grond vloer.
**40..** Plat dak: dakvorm bestaande uit één horizontaal vlak.
**41..** Rooilijn: lijn die de grens aangeeft waarbinnen gebouwd is.
**42..** Situering: de plaats van een bouwwerk in zijn omgeving.
**43..** Standaard: door de welstandscommissie goedgekeurd bouwwerk of het oorspronkelijke bouwwerk in het betreffende bouwblok.
**44..** Uitbouw: aan het gebouw vastzittend bouwwerk dat rechtstreeks vanuit het gebouw toegankelijk is.
**45..** Visuele onderbrekingen: bijvoorbeeld door verschil in hoogte, afwisselende geledingen, toepassing van verschillende materialen of penanten
**46..** Voorgevellijn: denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een bouwwerk.
**47..** Voorgevelrooilijn: de voorgevelrooilijn als bedoeld in het ter plaatse geldende bestemmingsplan.
**48..** Voorkant: de voorgevel, het voorerf en het dakvlak aan de voorzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voorzover die zijde direct grenst aan de weg of openbaar groen.
**49..** Zadeldak: een dak dat aan twee zijden schuin is met een symmetrisch profiel.
**50..** Zijgevellijn: denkbeeldige lijn die strak loopt langs de zijgevel van een bouwwerk.
**51..** Zijkant: de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw.