Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › § 3.

Artikel 11

Vaststelling van de vergoeding

Onderdeel van Verordening tegemoetkoming kosten voorschoolse voorzieningen

1.. De vaststelling van de vergoeding voor peuterplaatsen en/of VVE-peuterplaatsen vindt plaats op grond van het aantal bezette peuterplaatsen en het door de Belastingdienst vastgestelde gemiddelde gezinsinkomen van de ouder(s) wiens/wier kind een peuterplaats heeft bezet. 2.. De vaststelling van de vergoeding voor VVE-bijdragen vindt plaats op grond van het aantal bezette VVE-peuterplaatsen. 3.. De houder dient binnen acht weken na afloop van het kalenderjaar waarvoor is verleend een aanvraag tot vaststelling in bij het college en verstrekt hierbij een overzicht van het feitelijke aantal bezette peuterplaatsen en/of VVE-peuterplaatsen over het voorbije kalenderjaar, de wijze waarop de ouderbijdragentabel voor peuterplaatsen en VVE-peuterplaatsen is toegepast en de overige gegevens die het college nodig heeft om de vergoeding vast te stellen. 4.. Het college stelt de vergoeding vast binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag en de gegevens zoals bedoeld in het tweede lid. Het college kan dit besluit met ten hoogste zes weken verdagen. Het college stelt de houder hiervan schriftelijk in kennis (zie Artikel 10). 5.. Het college kan voor de vaststelling van de vergoeding een protocol opstellen en de genoemde data of termijnen hierop aanpassen. 6.. De beschikking vermeldt het bedrag van de vergoeding en de wijze waarop verrekening van betaalde voorschotten plaatsvindt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel