Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 14.

Artikel 38.

Uittreding respectievelijk opheffing

Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling Heesch West

1.. Een deelnemende gemeente kan gedurende de duur van de regeling, behoudens en uitsluitend in de situatie zoals bedoeld in artikel 40 van de regeling niet tussentijds uittreden. 2.. Een deelnemende gemeente kan, in de situatie zoals bedoeld in lid 1, uittreden uit deze regeling middels een daartoe strekkend besluit van de raad, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester. Een afschrift van de besluiten tot uittreding van een deelnemer wordt zo spoedig mogelijk toegezonden aan het algemeen bestuur, alsmede aan de raden van de overige deelnemende gemeenten. Een besluit tot uittreding leidt tot een wijziging van deze regeling. Daarnaast wordt financiële schade die door de uittreding is toegebracht, aan de uittredende gemeente(n) in rekening gebracht. Onder “financiële schade” wordt verstaan het financieel nadeel of verlies dat voor het samenwerkingsverband en/of voor een of meerdere deelnemende, niet-uittredende, gemeenten uit een uittreding voortvloeit, bestaande uit vermogensschade, zoals bedoeld in artikel 6:96 BW. Het samenwerkingsverband, de (achterblijvende) deelnemende gemeenten en de uittredende gemeente vragen gezamenlijk advies aan een onafhankelijke externe deskundige voor de vaststelling van de schade zoals bedoeld in de vorige volzin. Het advies van deze deskundige is voor partijen bindend. De kosten van het inschakelen van de deskundige zijn voor rekening van de uittredende gemeente. 3.. De regeling wordt opgeheven wanneer de in artikel 37 lid 3 bedoelde bestuursorganen van de volstrekte meerderheid van het aantal deelnemende gemeenten, al dan niet krachtens een voorstel van het algemeen bestuur, daartoe besluiten. Het bepaalde in artikel 37, lid 4 van de regeling is van overeenkomstige toepassing. 4.. In geval van opheffing is het bepaalde in artikel 39 van de regeling van toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel