**1..** Voordat de grondexploitatie is afgerond gaat het algemeen bestuur in samenwerking met de raden van de deelnemende gemeenten over tot evaluatie van deze regeling. De grondexploitatie is afgerond indien en voor zover er 95% van de uitgeefbare kavels is verkocht, of in erfpacht is uitgegeven.
**2..** Het doel van de evaluatie is terug te blikken op de wijze van samenwerking tijdens de grondexploitatiefase en na te gaan of en zo ja, op welke wijze, de samenwerking gedurende de dan nog niet gestarte permanente beheerfase zal worden voortgezet. De evaluatie gebeurt onder regie van het algemeen bestuur.
**3..** De resultaten van de evaluatie worden vastgelegd in een door het algemeen bestuur op te stellen voorstel tot een evaluatieplan. In het evaluatieplan wordt tevens vastgelegd of en zo ja, op welke wijze deze regeling zal worden voortgezet tijdens de permanente beheerfase. Ingeval de uitkomst van de evaluatie is dat de samenwerking wordt beëindigd voorziet het evaluatieplan in een opheffing van deze regeling.
**4..** Het door het algemeen bestuur opgestelde voorstel tot een evaluatieplan heeft de kracht van een voorstel, gericht aan de raden van de deelnemende gemeenten. Een evaluatieplan is vastgesteld indien de raden van alle deelnemende gemeenten daartoe hebben besloten. Een afschrift van het betreffende raadsbesluit wordt zo spoedig mogelijk toegezonden aan het algemeen bestuur en de overige deelnemende gemeenten.
**5..** In het geval het evaluatieplan niet wordt vastgesteld, wordt door het algemeen bestuur binnen twee maanden een voorstel tot opheffing van deze regeling, zoals bedoeld in artikel 38, derde lid, aan de raden van de deelnemende gemeenten, voorgelegd. Het bepaalde in artikel 38, vierde lid en verder is van overeenkomstige toepassing.
**6..** Indien in de situatie, zoals bedoeld in lid 5 van deze bepaling, niet wordt besloten tot opheffing, heeft een deelnemende gemeente de mogelijkheid van tussentijdse uittreding. Het bepaalde in artikel 38 is van overeenkomstige toepassing.
In afwijking van het bepaalde in de eerste en tweede volzin kan het algemeen bestuur, na ontvangst van een besluit tot uittreding, besluiten dat een besluit tot opheffing van deze regeling in de plaats treedt van een uittreding. Het bepaalde in lid 5 is van overeenkomstige toepassing. Indien niet wordt besloten tot opheffing, vindt effectuering van het besluit tot uittreding plaats op de wijze zoals vastgelegd in artikel 38, tweede lid.