Naar hoofdinhoud
1. Het verbod, gesteld in artikel 16, eerste lid, onder a en b, en tweede lid, geldt niet voor: boorputten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening; het oprichten en hebben van boorputten voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van een noodvoorziening; Het realiseren van horizontaal gestuurde boringen in de in artikel 16, tweede lid onder a gedefinieerde grondwaterbeschermingsgebieden, indien andere werkmethoden aantoonbaar niet toepasbaar zijn, in de volgende situaties: onder watergangen, waarbij de diepte van de watergang vanaf maaiveld groter is dan 2 m; onder kruisingen van belangrijke (spoor)wegen. De volgende voorwaarden zijn hierbij van toepassing: de diepte van de onderkant van de boring is niet dieper dan 10 meter onder het maaiveld; de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatste van het in-/uittredepunt overstijgt de achtergrondwaarde niet; indien het boortracé een ernstige bodemverontreiniging passeert of doorboort, worden afdoende maatregelen getroffen om verspreiding tegen te gaan; de boorvloeistof wordt samengesteld met schoon leidingwater; de boorvloeistof bevat voldoende bentoniet om uitwisseling met de ondergrond zoveel mogelijk te voorkomen. Hierbij wordt het gebruik van additieven zoveel mogelijk beperkt; de vrijkomende grond wordt niet zonder bescherming opgeslagen of verspreid over het perceel; Indien de horizontale boring dient ten behoeve van de aanleg van een riool, dient de mantelbuis te worden voorzien van verklikkers die een zodanige werking hebben dat bij een eventuele breuk de inhoud van het riool aan het maaiveld uittreedt via deze verklikkers. bronbemalingen; het onderzoeken of saneren van de bodem in het kader van de Wet milieubeheer of de Wet bodembescherming; sonderingen; ontgrondingen in het kader van de Ontgrondingenwet; grondwerken voor zover bij verwijdering van de grond het bodemprofiel zodanig wordt hersteld dat tenminste dezelfde beschermende werking van de bodem ontstaat als voor de grondwerken; funderingswerken voor zover daarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van: grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet; in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaat¬selijk verbreed is en grondverdringend wordt ingebracht; schroefpalen. 2. Het verbod voor het vervangen, veranderen of verleggen van een buisleiding, gesteld in artikel 16, eerste lid, onder c, geldt niet, als met een risico¬analyse van een deskundige overeenkomstig Richtlijn PGS 3 “Guidelines for quantitative risk assesments” is aangetoond dat de kans op grondwaterverontreiniging door dat vervangen, veranderen of verleggen gelijk blijft of kleiner wordt ten opzichte van de daaraan voorafgaande situatie. 3. Het verbod, gesteld in artikel 16, eerste lid, onder a en d, geldt niet voor een innovatief duurzaamheidsproject als: aannemelijk is gemaakt dat een significante bijdrage geleverd wordt aan het verbeteren van de grondwaterkwaliteit door een koppeling te realiseren tussen duurzaam gebruik van bodemenergie en de gekozen saneringsaanpak, en hiervoor vergunning kan worden verleend op grond van de Waterwet. 4. Het verbod, gesteld in artikel 16, eerste lid, onder e, geldt niet voor het op of in de bodem brengen van: dierlijke meststoffen; anorganische meststoffen, compost of kalkmeststoffen als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. 5. Het verbod, gesteld in artikel 16, eerste lid, onder f, geldt niet voor het hebben of uitbreiden van een begraafplaats, uitstrooiveld of dierenbegraafplaats, als daardoor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning niet negatief wordt beïnvloed. Bij een begraafplaats of uitstrooiveld wordt de Inspectierichtlijn Lijkbezorging in acht genomen. 6. Het verbod, gesteld in artikel 16, eerste lid, onder h, geldt niet voor het lozen van afstromend hemelwater van: gebouwen waaraan vanuit het dakmateriaal, de gevels, de hemelwaterafvoer of anderszins tot aan het op de bodem brengen geen verontreinigende stoffen worden toegevoegd of redelijkerwijs kunnen worden toegevoegd; verhardingen die schoon of beperkt schoon zijn dan wel verhardingen die deel uitmaken van particuliere erven en tuinen; andere gebouwen en verhardingen waarbij afstromend hemelwater wordt geleid door een doelmatig werkend zuiveringssysteem waardoor de kwaliteit van het geinfiltreerde water minimaal voldoet aan de streefwaarden, genoemd in de Circulaire bodemsaneringen 2013, bijlage 1, tenzij het betreft: gebouwen met grote gevels of daken met uitloogbare materialen die in contact staan met hemelwater; verhardingen waar chemische onkruidbestrijding plaatsvindt; verhardingen van bedrijfsterreinen, marktplaatsen, laad- en losplaatsen, overslagterreinen, busstations, trambanen en tunnels (met uitzondering van tunnels voor langzaamverkeer). 7. Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel