Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2.

Artikel 9.

Vaststelling van de duur en de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij uitstroom uit de Wwb, Ioaw of Ioaz en bij debiteuren die geen recht hebben op algemene bijstand krachtens de Wwb, de Ioaw of Ioaz

Onderdeel van Beleidsregels terug- en invordering en verhaal gemeente Midden-Delfland 2014

In artikel 9 is de hoogte van de maandelijkse aflossingsverplichting vastgelegd van belanghebbenden die uit de uitkering stromen of die bij het vaststellen van de vordering een andersoortig inkomen hebben. In de situatie dat belanghebbende uitstroomt uit de uitkering wordt de hoogte van de aflossingscapaciteit gedurende drie maanden voortgezet. Hiermee wordt enerzijds uitstroom gestimuleerd omdat werken loont. Daarnaast voorkomen we hiermee dat na een werkaanvaarding belanghebbende direct gewijzigde inkomensgegevens moet overleggen. Na een periode van drie maanden is de termijn van uitstroom zodanig lang dat een terugval in de uitkering niet voor de hand ligt en kan belanghebbende gegevens overleggen die een correct beeld geven van zijn of haar inkomen. Bij het berekenen van de aflossingscapaciteit voor personen die geen uitkering (meer) ontvangen wordt onderscheid gemaakt tussen fraudevorderingen en ‘gewone’ vorderingen. Bij vorderingen, niet zijnde fraudevorderingen wordt aangesloten bij de draagkrachtssystematiek voor de bijzondere bijstand. Hierbij worden de eigen inkomsten afgezet tegen de voor de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm: Netto jaarinkomen -/- geldende bijstandsnorm per jaar = ruimte in het inkomen. Alvorens de ruimte in het inkomen vast te stellen wordt in voorkomende gevallen de woonkosten (na aftrek van huurtoeslag) die hoger zijn dan de normhuur als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag (Wht) op de ruimte in het inkomen in mindering gebracht. Van de aldus vastgestelde ruimte in het inkomen wordt een deel (een percentage volgens een schijvensysteem) aangemerkt als draagkracht. De berekening hiervan geschiedt als volgt: van de ruimte in het inkomen wordt van de eerste € 1.500,- 10% als draagkracht aangemerkt. Van de volgende € 1.500,- 35% en van het meerdere 50%. Opgeteld vormen de uitkomsten de draagkracht uit inkomen. Bij fraudevorderingen wordt niet gewerkt met drie schijven, maar 50% van de ruimte in het inkomen gehanteerd. Bepaling van het inkomen In principe wordt elk inkomensbestanddeel meegeteld. Wat in dit verband onder inkomensbestanddeel wordt aangemerkt, is geregeld in de artikelen 32 en 33 van de WWB.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel