De aanvraag voor een vent- of standplaatsenvergunning wordt door het College getoetst aan de Algemene Plaatselijk Verordening (artikel 5.2.3) . In de Algemene plaatselijke verordening is een definitie opgenomen van een een standplaats:
het vanaf een vaste plaats op of aan de weg of op een andere voor publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of het anderszins aanbieden van goederen of diensten al dan niet gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.
Onder standplaats wordt niet verstaan vaste plaatsen op jaarmarkten, markten of vaste plaatsen op evenementen.
In de algemene plaatselijke verordening is ook opgenomen dat er zonder een vergunning geen standplaats ingenomen mag worden met uitzondering van de type standplaatsen waarvoor dit verbod niet geldt. Ook de beoordelingsgonden voor de vergunning zijn in de APV opgenomen. De vergunning kan onder andere worden geweigerd in het belang van de openbare orde, voorkomen of beperken van overlast en in het belang van de verkeersveiligheid.
Algemene plaatselijke verordening 2011 gemeente Bronckhorst: Artikel 5.2.3 Standplaatsen
1. In dit artikel wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op of aan de weg of op een andere voor publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of het anderszins aanbieden van goederen of diensten al dan niet gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.
2. Onder standplaats wordt niet verstaan:
a. vaste plaatsen op jaarmarkten of markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid onder h, van de Gemeentewet;
b. vaste plaatsen op evenementen als bedoeld in artikel 2.2.1 van deze verordening.
3. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.
4. Het college kan typen standplaatsen aanwijzen waarvoor het verbod uit het derde lid niet geldt.
5. Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan, dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen of goederen worden of zijn uitgestald als bedoeld in het eerste lid.
6. Het in het derde lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien van het uitgestald hebben van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.
7. Een vergunning kan worden geweigerd:
a. in het belang van de openbare orde;
b. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;
c. indien de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;
d. in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;
e. wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel der gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt;
f. vanwege de strijd met een geldend bestemmingsplan;
8. Het verbod in het derde lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Gelders wegenreglement.
9. De weigeringsgrond van het zevende lid, onder b, geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
10. De weigeringsgrond van het zevende lid, onder c, geldt niet voor bouwwerken.
Hoofdstuk 2.
Artikel 2.3
Algemene Plaatselijke Verordening Bronckhorst
Onderdeel van Standplaatsenbeleid gemeente Bronckhorst 2014