De instelling, waaraan ingevolge het derde lid van artikel 6 subsidie is toegekend, zendt vóór 1 juli van het schooljaar, waarover deze subsidie is verleend, een opgave aan burgemeester en wethouders vermeldende voor elke school afzonderlijk:
de naam van degene(n), die belast is (zijn) geweest met het geven van godsdienst- of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs;
de dagen waarop en de uren gedurende welke de lessen werden gegeven;
het feitelijke aantal groepen alsmede het feitelijke aantal leerlingen per groep.
Deze opgave wordt vóór de inzending door de directeur van de desbetreffende school gewaarmerkt.