Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Afdeling 9.

Artikel 2:24

Vergunningplicht

Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening (Apv)

1.. Het is verboden een inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2.. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid indien: de vestiging of exploitatie van de inrichting in strijd is met het geldende bestemmingsplan en/of leefmilieuverordening; de leidinggevende(n) de leeftijd van 21 jaar niet heeft bereikt; de leidinggevende(n) in enigerlei opzicht van slecht levensgedrag is; de leidinggevende(n) onder curatele staat of is ontzet uit de ouderlijke macht of voogdij; de houder binnen vijf jaar voor de aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid een inrichting heeft geëxploiteerd die op grond van verstoring van het woon- en leefsituatie, dan wel op grond van artikel 13b van de Opiumwet, gesloten is geweest. 3.. De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste lid weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de inrichting. Hierbij houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat of wijk, de aard van de inrichting en de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse blootstaat of bloot zal komen te staan. 4.. Een vergunning kan voorts worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 5.. Voordat toepassing wordt gegeven aan het vierde lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd. 6.. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel