Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Afdeling 5.

Artikel 2:7

Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening (Apv)

1.. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak; het openbreken van de verharding en het graven en spitten in de weg ten behoeve van een huisaansluiting indien deze werkzaamheden een maximale lengte hebben van 25 meter, mits die werkzaamheden schriftelijk bij het bevoegd gezag zijn gemeld en wordt voldaan aan de door het bevoegd gezag gestelde nadere regels. 3.. Het bepaalde in het tweede lid onder b is niet van toepassing voor zover: gebruik wordt gemaakt van een gestuurde boring; in het tracé een wegoversteek dan wel een wegkruising voorkomt; er een handhole geplaatst wordt. 4.. Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.

Rechtspraak bij dit artikel