**·.** 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden;
**·.** 2. Een ieder die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen;
**·.** 3. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet;
**·.** 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod;
**·.** 5. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
AFDELING 2. BETOGING
Artikel 2:1
Artikel 2:2 Kennisgeving optocht of herdenkingsplechtigheid
[vervallen]
Artikel 2.2.a Verboden optocht of herdenkingsplechtigheid
[vervallen]
Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
1. Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
2. De kennisgeving bevat:
a. naam en adres van degene die de betoging houdt;
b. het doel van de betoging;
c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;
d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;
e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;
f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.
3. Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.
4. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag.
5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid, genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.
Artikel 2:4
[gereserveerd]
Artikel 2:5
[gereserveerd]
AFDELING 3. VERSPREIDEN VAN GEDRUKTE STUKKEN
Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedruktestukken of afbeeldingen
[vervallen]
AFDELING 4. VERTONINGEN E.D. OP DE WEG
Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d.
[vervallen]
Artikel 2:8
[gereserveerd]
Artikel 2:9
[gereserveerd]
AFDELING 5. BRUIKBAARHEID EN AANZIEN VAN DE WEG
Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie ervan
1. Het is verboden om zonder ontheffing van het college, de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan;
2. Het college kan de ontheffing als bedoeld in lid 1 van dit artikel weigeren indien
a. Het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;
b. Het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;
c. Het beoogde gebruik overlast veroorzaakt voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.
3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor evenementen als bedoeld in artikel 2.24.
4. Het verbod in het eerste lid van geldt niet als aan elk van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a. De duur van de ingebruikname van de weg of een weggedeelte bedraagt aaneensluitend niet langer dan 3 dagen;
b. voor het beoogde gebruik mogen objecten geplaatst worden;
c. voor het beoogde gebruik mogen objecten enkel voor het perceel geplaatst worden waar de werkzaamheden plaatsvinden;
d. voor het beoogde gebruik geplaatste objecten mogen enkel zodanig geplaatst worden dat een minimale doorgang van 3,50 meter aanwezig is voor verkeer en hulpdiensten;
e. op wegen of weggedeelten bestaande uit een rijbaan en een trottoir, wordt het object niet op de rijbaan geplaatst of op het trottoir als tussen het object en de rijbaan geen vrije onbelemmerde doorgang van minimaal 1,50 meter aanwezig is (voor voetgangers, invalide- en kinderwagens);
f. Het object of het beoogde gebruik daarvan levert geen gevaar op voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik van de weg;
g. Het object of beoogde gebruik daarvan vormt geen belemmering voor het gebruik of het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;
h. Het object of het beoogde gebruik daarvan levert geen overlast op voor gebruikers van in de nabijheid gelegen onroerende zaken.
i. Het object of het beoogde gebruik daarvan levert geen risico op voor de openbare orde en veiligheid.
j. Het object brengt door de omvang of vormgeving, constructie, plaats van bevestiging of het beoogde gebruik geen schade toe aan de weg of groenvoorzieningen.
5. Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet, of het Provinciaal wegenreglement.
6. Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voor uitstallingen als bedoeld in de door burgemeester en wethouders vastgestelde beleidsregel ‘Uitstallingen in de openbare ruimte’.
Artikel 2:11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet openbare ontsluitingswegen van gebouwen.
3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak.
4. Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening gemeente Enschede.
Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg
1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:
a. Een uitweg te maken naar de weg;
b. Verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
2. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van:
a. de bruikbaarheid van de weg;
b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg;
c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.
3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat;
4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement.
AFDELING 6. VEILIGHEID OP DE WEG
Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid
[vervallen]
Artikel 2:14
[gereserveerd]
Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijke voorwerpen
Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daarvoor op andere wijze hinder of gevaar oplevert.
Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Artikel 2:17
[gereserveerd]
Artikel 2:18 Rookverbod in natuurterreinen
[vervallen]
Artikel 2.19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp
1. Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg.
2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien van prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.
4. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is.
Artikel 2:20 Vallende voorwerpen
[vervallen]
Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting
1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
2. Het bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.
Artikel 2:21a Verwijdering van veiligheidsvoorzieningen
[vervallen]
Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn
1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.
2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.
3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.
Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs
[vervallen]
Artikel 2:23.1 Opsporen, opgraven e.d. van explosief materiaal
1. Het is verboden met behulp van een metaaldetector of een ander voorwerp explosief materiaal op te sporen, dan wel explosief materiaal op te graven of uit de grond te verwijderen.
2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.
Artikel 2:23.2 Vervoer opsporing- of graafgereedschap e.d.
1. Het is verboden in door het college aangewezen gedeelten van de gemeente een metaaldetector of een ander voorwerp dat kan dienen tot het opsporen van metalen, te vervoeren of bij zich te hebben, dan wel in die gedeelten van de gemeente een voorwerp dat kan dienen tot het graven in de grond, te vervoeren of bij zich te hebben.
2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet, indien de in dat lid bedoelde voorwerpen niet bestemd of gebruikt zijn voor het opsporen, opgraven of uit de grond verwijderen van explosief materiaal.
3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt eveneens niet voor diegene aan wie het college een ontheffing heeft verleend als bedoeld in artikel 2.23.1, lid 2, binnen de grenzen van tijd en plaats zoals in die ontheffing zijn aangegeven.
4. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.
Artikel 2:23.3 Benzinepompen op of nabij de weg
[vervallen]
Artikel 2.23.4 Zakelijk karakter vergunning
[vervallen]
Artikel 2:23.5 Wegschieten van projectielen
[vervallen]
Artikel 2:23.6 Bij zich hebben van schietklare voorwerpen
[vervallen]
AFDELING 7. EVENEMENTEN
Artikel 2:24 Begripsbepaling
1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
a. bioscoopvoorstellingen;
b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet;
c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
d. het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet gelegenheid geven tot dansen;
e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
f. betaald voetbalwedstrijden als bedoeld in artikel 2.26a;
g. sportwedstrijden waaraan uitsluitend wordt deelgenomen door amateursporters op de daarvoor bestemde sportlocaties;
h. toneel-, muziek-, cabaretvoorstellingen en dergelijke die plaatsvinden in de daarvoor bestemde inrichtingen.
2. Onder evenement wordt mede verstaan:
a. een herdenkingsplechtigheid;
b. een braderie;
c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.3;
d. elke besloten verrichting van vermaak voor zover deze georganiseerd wordt op een plek die normaal gesproken voor het publiek toegankelijk is;
e. activiteiten in het kader van vecht- of verdedigingssporten welke worden georganiseerd in de openbare ruimte
f. een klein evenement.
3. Onder klein melding plichtig evenement wordt verstaan een evenement (zoals een straatfeest, buurt barbeque, kleine optocht, niet-commerciële rommelmarkt, kleine trim loop of wandeltocht op een dag) dat voldoet aan de onderstaande voorwaarden:
a. het betreft een evenement voor maximaal twee dagen (aaneengesloten);
b. het aantal bezoekers bedraagt naar verwachting niet meer dan 250 personen;
c. het evenement vindt niet plaats in het centrum (=gebied begrensd door Boulevard 1945, Oldenzaalsestraat, Molenstraat, Stationsplein, De Ruyterlaan en Ripperdastraat);d. het evenement vindt plaats tussen 09.00 en 24.00 uur;
e. er ontstaat geen geluidsoverlast. Dit houdt in dat er in ieder geval geen versterkte muziek ten gehore mag worden gebracht.
f. tijdens het evenement geplaatste objecten brengen door de omvang of vormgeving, constructie, plaats van bevestiging of het beoogde gebruik geen schade toe aan de weg of groenvoorzieningen.
g. geplaatste tenten of andere tijdelijke inrichtingen mogen een maximale oppervlakte hebben van vijftig vierkante meter en/of mogen er maximaal vijftig personen tegelijkertijd gebruik kunnen maken van deze voorziening.
h. er mogen alleen 30-km straten worden afgesloten die geen doorgaande (bus)route zijn
i. er worden geen verkeersomleidingsroutes afgesloten
j. er worden geen afzettingsmaterialen gebruikt die niet voldoen aan de daarvoor geldende regelgeving
4. Onder klein melding plichtig evenement wordt niet verstaan:
a. evenementen waarbij activiteiten in het kader van vecht- of verdedigingssporten worden (mede) georganiseerd
b. evenementen waarbij er op voorhand ernstige vermoedens zijn dat openbare orde of veiligheidsproblemen zullen optreden.
Artikel 2:25 Evenement
1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
2. De organisator van een evenement zorgt ervoor dat openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en bescherming van het milieu gewaarborgd zijn.
3. De burgemeester kan te allen tijde nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en het milieu.
4. Het verbod uit lid 1 geldt niet voor het organiseren van een klein melding plichtig evenement.
5. De organisator van een klein melding plichtig evenement stelt uiterlijk 5 werkdagen voorafgaand aan het evenement de burgemeester hiervan in kennis door middel van een schriftelijke melding.
6. Indien de burgemeester van oordeel is dat het klein evenement, niet zoals gemeld kan plaatsvinden geeft hij daarvan tijdig bericht aan de organisator.
Artikel 2:26 Ordeverstoring
1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
2. Het is verboden enig gereedschap, voorwerp of middel te vervoeren of bij zich te hebben met de kennelijke bedoeling daarmee bij een evenement de orde te verstoren.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak en een herdenkingsplechtigheid.
Artikel 2:26a Betaald voetbalwedstrijd
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder organisator verstaan:
a. de betaald voetbalorganisatie FC Twente BV, indien het betreft een voetbalwedstrijd waarbij het eerste elftal van de betaald voetbalorganisatie FC Twente BV als thuisspelende ploeg is betrokken, uitgezonderd wedstrijden buiten enig competitieverband tegen een amateurvoetbalorganisatie;
b. de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond, indien het betreft een voetbalwedstrijd tussen voetbalorganisaties afkomstig van buiten de gemeente Enschede, waarbij ten minste één betaald voetbalorganisatie is betrokken en indien het betreft een A- interland;
c. degene die buiten de gevallen, genoemd onder a en b een voetbalwedstrijd organiseert, waarbij ten minste één betaald voetbalorganisatie is betrokken.
2. a. De organisator is verplicht ten minste 30 dagen voor de vastgestelde speeldag van een voetbalwedstrijd als bedoeld in het eerste lid daarvan schriftelijk kennis te geven aan de Burgemeester;
b. De Burgemeester kan ontheffing verlenen van de onder a bepaalde termijn.
3. De Burgemeester stelt een formulier vast voor het doen van de in het tweede lid bedoelde kennisgeving.
4. De voorgeschreven kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn gedaan wanneer het in het derde lid bedoelde formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.
5. De kennisgeving bedoeld in het tweede lid kan meerdere wedstrijden betreffen.
6. De Burgemeester kan met betrekking tot een voetbalwedstrijd aan de organisator voorschriften opleggen in het belang van de openbare orde en veiligheid.
7. De Burgemeester kan het doen spelen van een voetbalwedstrijd verbieden:
a. uit vrees voor het ontstaan van ernstige verstoring van de openbare orde;
b. indien de krachtens het zesde lid opgelegde voorschriften niet worden nageleefd;
c. indien geen of niet tijdig schriftelijke kennisgeving is gedaan als bedoeld in het tweede lid.
8. Het is verboden een voetbalwedstrijd te doen spelen waarvoor een verbod als bedoeld in het zevende lid is uitgevaardigd.
Artikel 2:26b Orde in verband met betaald voetbalwedstrijden
1. Het is verboden de openbare orde te verstoren bij een voetbalwedstrijd als bedoeld in artikel 2:26a.
2. Vanaf 48 uur voor het vastgestelde begin van een betaald voetbalwedstrijd tot 24 uur na afloop daarvan is het verboden voorwerpen mee te voeren waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze zijn bedoeld om de openbare orde te verstoren.
3. Al diegenen die zich vanaf 48 uur voor het vastgestelde begin van een betaald voetbalwedstrijd tot 24 uur na afloop van die wedstrijd op openbare plaatsen gemaskerd, vermomd of op enige andere wijze onherkenbaar gemaakt vertonen, zijn verplicht zich op eerste vordering van een ambtenaar van politie van het masker of andere vermomming te ontdoen.
Artikel 2:26c Supportersstromen en verwijderingsplicht voetbalsupporters
Al diegenen die behoren tot de supportersaanhang van een bezoekende betaald voetbalclub en dat door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedragingen of anderszins kenbaar maken en in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs voor de te bezoeken wedstrijd zijn verplicht om, als sprake is van verstoring van de openbare orde of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, hun weg naar het stadion te vervolgen zodra ze de gemeente bereiken.
Al diegenen die behoren tot de supportersaanhang van een bezoekende betaald voetbalclub en dat door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedragingen of anderszins kenbaar maken zijn verplicht om, als sprake is van verstoring van de openbare orde of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, direct na afloop van de wedstrijd te vertrekken uit de gemeente, tenzij men woonachtig is in de gemeente Enschede.
Al diegenen die zich door kleding, uitrusting of gedragingen kenbaar maken als voetbalsupporters, en niet in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs voor de voetbalwedstrijd of op enige wijze de openbare orde verstoren of de kennelijke bedoeling hebben deze te verstoren of wiens aanwezigheid een gevaar op escalatie vergroot, zijn verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie met inachtneming van diens aanwijzingen zich naar een in dit bevel aangegeven plaats te begeven, of zich te verwijderen uit een in het bevel aangegeven gebied, of zich buiten de gemeentegrenzen van de gemeente Enschede te begeven.
De in lid 3 genoemde verplichtingen tot verwijdering uit een in het bevel genoemd gebied of tot het zich begeven buiten de gemeentegrenzen zijn niet van toepassing op diegenen die aannemelijk kunnen maken woonachtig te zijn in het betreffende gebied respectievelijk binnen de gemeentegrenzen van de gemeente Enschede.
Artikel 2:26d Stadion omgevingsverbod
De burgemeester kan aan een persoon schriftelijk het verbod opleggen zich op te houden in een door hem nader aan te wijzen gebied rondom het voetbalstadion van FC Twente vanaf vier uur voor het vastgestelde aanvangstijdstip tot vier uur na afloop van betaald voetbalwedstrijden.
Het verbod geldt voor een bepaalde periode van ten hoogste twee jaar.
De burgemeester kan overgaan tot het opleggen van het in het eerste lid bedoelde verbod, indien de persoon de openbare orde in de omgeving van genoemd stadion in ernstige mate heeft verstoord op een dag dat een voetbalwedstrijd in dit stadion is gespeeld.
AFDELING 8: TOEZICHT OP HORECABEDRIJVEN
Artikel 2:27 Begripsbepalingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
1. horecabedrijf: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder een horecabedrijf worden in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis. Onder horecabedrijf wordt tevens verstaan een bij dit bedrijf behorend terras en andere aanhorigheden.
2. terras: een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.
Artikel 2:28 Terrassen
1. Terrassen worden in de gemeente gebied gebonden gereguleerd. De drie te onderscheiden gebieden zijn:
a. Het Gebied op en om de Oude Markt;
b. Het Gebied Stadserf;
c. Het Gebied rest van Enschede.
De gebiedsafbakening van deze drie gebieden is uitgewerkt in kaarten die als bijlage horen bij de beleidsregel Terrassenbeleid Gemeente Enschede.
2. In het Gebied op en om de Oude Markt is het verboden een terras te plaatsen tenzij aan elk van de hiernavolgende voorschriften wordt voldaan:
a. een winterterras mag het gehele jaar geplaatst worden indien het zodanig wordt geplaatst dat het terras grenst aan de gevel van het horecabedrijf en het zich bevindt in de daartoe bestemde, ingerichte en als zodanig aan de bestrating herkenbare winterterraszone;
b. een zomerterras mag enkel van 1 maart tot 1 november zodanig worden geplaatst dat deze zich bevindt binnen de begrenzing van de daartoe bestemde, ingerichte en als zodanig aan de bestrating herkenbare zomerterraszone;
c. indien zich tussen het winter- en zomerterras een als looppad ingericht weggedeelte bevindt, dient deze te allen tijde vrijgehouden te worden;
d. de burgemeester kan ontheffing verlenen voor het plaatsen van een terras dat afwijkt van de onder lid a, b en c van dit artikel genoemde voorschriften.
3. In het Gebied Stadserf is het verboden een terras te plaatsen zonder een vergunning van de burgemeester;
4. In het Gebied rest van Enschede is het verboden een terras te plaatsen zonder een vergunning van de burgemeester;
5. De burgemeester kan de in lid 3 en in lid 4 van dit artikel vereiste vergunning weigeren indien:
a. het terras gevaar, schade of hinder oplevert voor de omgeving en de bruikbaarheid van de weg
b. het terras niet gelegen is in de nabijheid van het horecabedrijf.
c. op het pand waarin het horecabedrijf is gevestigd ten behoeve waarvan de vergunning wordt gevraagd, krachtens het ter plaatse geldende bestemmingsplan geen horecabestemming rust.
6. De burgemeester kan nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de verkeersveiligheid, de volksgezondheid, de bescherming van het milieu en het uiterlijk van het terras.
Artikel 2:29 Sluitingstijd
1. Het is de houder van een horecabedrijf verboden deze voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 00.00 uur en 07.00 uur.
2. De Burgemeester kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen en voor een afzonderlijk horecabedrijf een ander sluitingsuur of andere sluitingsuren vaststellen.
3. De Burgemeester kan voor een bij een horecabedrijf behorend terras een ander sluitingsuur of andere sluitingsuren vaststellen dan bepaald met toepassing van het tweede lid.
4. Het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde geldt niet voor zover op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van toepassing zijn.
Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijden: algehele sluiting
1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2.29 geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.
Artikel 2:31 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf
Het is bezoekers verboden zich in een horecabedrijf te bevinden gedurende de tijd dat het bedrijf krachtens artikel 2:29 of ingevolge een op grond van artikel 2:30 genomen besluit gesloten dient te zijn.
Artikel 2:32 Handel in horecabedrijven
1. In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
2. De exploitant van een horecabedrijf laat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.
Artikel 2.33 Ordeverstoring
Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren.
Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan
Indien een horecabedrijf geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college op als bevoegd bestuursorgaan voor de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:31.
Artikel 2:34 a Toegang ambtenaren van politie
[vervallen]
AFDELING 9. TOEZICHT OP INRICHTINGEN TOT HET VERSCHAFFEN VAN NACHTVERBLIJF
[vervallen]
Artikel 2:35 Begripsomschrijvingen
[vervallen]
Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie
[vervallen]
Artikel 2:37 Nachtregister
[vervallen]
Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister
[vervallen]
AFDELING 10. TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN
Artikel 2:39 Begripsomschrijvingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
Speelgelegenheid: Een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is, de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij premies, geld of in geld inwisselbare goederen kunnen worden gewonnen en verloren;
Exploitant: Degene die krachtens een zakelijk of persoonlijk recht een speelgelegenheid exploiteert of, indien de exploitatie geschiedt door een rechtspersoon, de natuurlijke persoon die bestuurder is van die rechtspersoon;
Beheerder: De natuurlijke persoon die de dagelijkse en onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van een speelgelegenheid.
Artikel 2:39.1 Bevoegd bestuursorgaan
In deze afdeling wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college van burgemeester en wethouders of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.
Artikel 2:39.2 Exploitatie van een speelgelegenheid
1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een speelgelegenheid te exploiteren.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. Speelcasino’s, waarvoor op grond van artikel 27h van de Wet op de kansspelen een vergunning is vereist;
b. Speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder c van de Wet op de kansspelen een vergunning is verleend;
c. Speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, waar gelegenheid wordt gegeven te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen of waar gelegenheid wordt gegeven tot het beoefenen van enig ander kansspel waarvoor de Wet op de kansspelen een regeling kent;
d. De door het bevoegde bestuursorgaan aangewezen soorten speelgelegenheden.
Artikel 2:39.3 Aanvraag
1. Voor het indienen van een aanvraag om een vergunning maakt de exploitant gebruik van een door het bevoegde bestuursorgaan vastgesteld formulier.
2. Bij een aanvraag wordt een bedrijfsplan overgelegd, waarin in ieder geval staat:
a. een inhoudelijke beschrijving van de spelen die in de speelgelegenheid zullen worden beoefend, en voor elk spel de wijze waarop premies, geld of in geld inwisselbare goederen kunnen worden gewonnen en verloren;
b. op welke wijze de bedrijfsactiviteiten zullen worden gefinancierd.
3. Een wijziging in de gegevens van het bedrijfsplan als bedoeld in het tweede lid, deelt de exploitant vooraf schriftelijk mee aan het bevoegde bestuursorgaan; de mededeling wordt als aanvulling op het bedrijfsplan aangemerkt.
Artikel 2:39.4 Overdraagbaarheid vergunning
De vergunning is niet overdraagbaar, en gebonden aan de speelgelegenheid waarvoor zij is verleend.
Artikel 2:39.5 Eisen aan de exploitant en de beheerder
De exploitant en de beheerder van een speelgelegenheid:
a. Staan niet onder curatele of bewind en zijn niet uit de ouderlijke macht of voogdij ontzet;
b. Zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;
c. Zijn niet binnen de laatste vijf jaar exploitant of beheerder geweest van een inrichting die voor een periode van ten minste vijf weken door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten of waarvan de vergunning als bedoeld in artikel 2:39.2, eerste lid is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hen ter zake geen verwijt treft;
d. Zijn niet binnen de laatste vijf jaar ten minste twee maal onherroepelijk veroordeeld wegens overtreding van het bepaalde in de Drank- en Horecawet, de Wet op de kansspelen, de Opiumwet en de Wet wapens en munitie;
e. Hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.
Artikel 2:39.6 Gronden voor weigering vergunning
1. Het bevoegde bestuursorgaan weigert een vergunning als bedoeld in artikel 2:39.2 eerste lid, indien:
a. De vestiging of de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend of in procedure zijnde bestemmingsplan of leefmilieuverordening in de zin van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing;
b. De speelgelegenheid niet in een gebouw is gevestigd;
c. De exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 2:39.5 gestelde eisen.
2. Het bevoegde bestuursorgaan kan een vergunning als bedoeld in artikel 2:39.2, eerste lid weigeren, indien:
a. Een eerdere vergunning voor de exploitatie van de speelgelegenheid is ingetrokken of de speelgelegenheid met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is gesloten; en voorts indien naar zijn oordeel:
b. Het woon- en leefklimaat in de omgeving van de speelgelegenheid en/of de openbare orde of veiligheid nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de speelgelegenheid;
c. Het bedrijfsplan als bedoeld in artikel 2.39.3 onvoldoende garanties geeft dat het in deze verordening en in de Wet op de kansspelen bepaalde niet zal worden overtreden;
d. Het op grond van andere feiten en omstandigheden onvoldoende vaststaat dat het bepaalde in de Wet op de kansspelen niet zal worden overtreden;
e. Redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn.
Artikel 2:39.7 Verplichtingen van de exploitant en beheerder
1. De exploitant van een speelgelegenheid is verplicht voldoende toezicht uit te oefenen op de gang van zaken gedurende de openingstijden van de speelgelegenheid, dan wel ervoor zorg te dragen dat voldoende toezicht wordt uitgeoefend.
2. De exploitant is verplicht als beheerder van de speelgelegenheid op te laten treden degene die als zodanig in de vergunning staat vermeld.
3. De exploitant en de beheerder dienen ervoor zorg te dragen dat de vergunning in de speelgelegenheid aanwezig is en deze op eerste vordering van een ambtenaar belast met het toezicht op deze regelgeving of op eerste vordering van een opsporingsambtenaar, ter inzage af te geven.
Artikel 2:39.8 Exploitatietijden
De artikelen 2:29 tot en met 2:33 zijn van overeenkomstige toepassing op speelgelegenheden die geen horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 2.27., eerste lid, met dien verstande dat in deze artikelen voor “de burgemeester” wordt gelezen: het bevoegde bestuursorgaan.
Artikel 2:39.9 Gronden voor intrekking vergunning
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 van deze verordening, kan het bevoegde bestuursorgaan de vergunning voor een speelgelegenheid intrekken, indien:
a. De exploitant in strijd handelt met hetgeen hij in het bedrijfsplan als bedoeld in artikel 2:39.2 heeft opgenomen;
b. Het aanvullend bedrijfsplan als bedoeld in artikel 2.39.3, derde lid, onvoldoende garanties geeft dat de Wet op de kansspelen niet zal worden overtreden;
c. Het bepaalde in de Wet op de kansspelen wordt overtreden;
d. In de speelgelegenheid strafbare feiten plaatsvinden die een bedreiging vormen voor de veiligheid of orde in de speelgelegenheid;
e. De openbare orde, de veiligheid, of het woon- en leefklimaat door de aanwezigheid van de speelgelegenheid wordt verstoord of benadeeld;
f. De exploitant of beheerder niet langer voldoet aan de in artikel 2:39.5 gestelde eisen;
g. De exploitant of beheerder de in artikel 2:39.7 neergelegde verplichtingen niet of onvoldoende nakomt;
h. De exploitant of beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt.
Artikel 2:39.10 Sluiting speelgelegenheid
1. Indien het belang van de openbare orde of de veiligheid dat naar zijn oordeel vereist, kan het bevoegde bestuursorgaan de sluiting van een speelgelegenheid bevelen.
2. Indien de in het eerste lid genoemde belangen de sluiting naar zijn oordeel niet langer vereisen, heft het bevoegde bestuursorgaan de sluiting op.
Artikel 2:39.11 Beëindiging exploitatie speelgelegenheid
1. De exploitant is verplicht, indien hij de exploitatie van de speelgelegenheid ten behoeve waarvan de vergunning is verleend beëindigt, hiervan binnen twee weken na de beëindiging schriftelijk mededeling te doen aan het bevoegde bestuursorgaan.
2. Bij ontvangst van deze mededeling vervalt de vergunning, tenzij daarbij is aangegeven dat de bedrijfsactiviteiten door een ander worden voortgezet en een aanvraag voor een nieuwe vergunning binnen vier weken na de mededeling is ingediend.
3. Behoudens het geval dat zwaarwegende feiten of omstandigheden zich daartegen verzetten, blijft de vergunning in dat geval van kracht totdat op de aanvraag een besluit is genomen.
Artikel 2:39.12 Overgangsbepalingen
[vervallen]
AFDELING 10A. SPEELAUTOMATEN
Artikel 2:40 Speelautomaten
1. Begripsomschrijvingen:
a. Wet: de Wet op kansspelen;
b. Speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a van de Wet;
c. Behendigheidsautomaat als bedoeld in artikel 30 onder B van de Wet;
d. Kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c van de Wet;
e. Hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d van de Wet;
f. Laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e van de Wet;
g. Vergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 30b, lid 1 van de Wet.
2. Met inachtneming van het bepaalde in het vierde lid zijn in hoogdrempelige inrichtingen maximaal vijf speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten.
3. In laagdrempelige inrichtingen zijn geen kansspelautomaten toegestaan. Met inachtneming van het bepaalde in het vierde lid zijn in hoogdrempelige inrichtingen behendigheidsautomaten toegestaan.
4. Het maximaal toe te laten aantal speelautomaten wordt berekend op basis van de vloeroppervlakte van de lokaliteiten van een inrichting, waarbij voor elke gehele 35 m2 van een op de vergunning vermelde horecalokaliteit één speelautomaat is toegestaan, met dien verstande dat in elke inrichting ten minste twee speelautomaten zijn toegestaan.
5. Aan een vergunning voor de aanwezigheid van een of twee kansspelautomaten worden, naast de bij of krachtens de wet verplichte voorschriften, in ieder geval de voorschriften verbonden dat:
a. De vergunning, of een fotokopie daarvan, voor het publiek duidelijk zichtbaar aanwezig dient te zijn bij elke kansspelautomaat waarvoor die vergunning is verleend;
b. Op de kansspelautomaat of –automaten uitsluitend mag worden gespeeld door personen aan wie tijdens hun aanwezigheid in de hoogdrempelige inrichting, tegen betaling van de normaal geldende prijzen, dranken zijn geschonken of maaltijden voor directe consumptie zijn verstrekt; voor de toepassing van deze bepaling wordt een terras niet beschouwd als een onderdeel van een hoogdrempelige inrichting.
6. Een vergunning wordt verleend voor een periode van ten hoogste vier jaar.
AFDELING 11. MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID
Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal
1. Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens artikel 174a Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
2. Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens, een krachtens artikel 13b Opiumwet gesloten woning of lokaal, of een daarbij behorend erf te betreden.
3. Dit verbod geldt niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal, of het daarbij behorende erf wegens dringende redenen noodzakelijk is.
Artikel 2:42 Plakken en kladden
1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is:
a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
b. met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
5. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.
7. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.
Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.
1. Het is verboden op de weg te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek plakmiddel, plakgereedschap, kalk, krijt, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap of enig ander materiaal of gereedschap.
2. Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.
Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen
1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.
2. Het verbod is niet van toepassing indien de genoemde gereedschappen, voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor de in het eerste lid bedoelde handelingen.
Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen
1. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te bevinden in of op een bij de gemeente in onderhoud zijn(de) park, wandelplaats, plantsoen, groenstrook of andere groenvoorziening buiten de daarin gelegen wegen, paden, verhardingen, grasvelden of grasstroken.
2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te bevinden op een bij de gemeente in onderhoud zijn(de) grasveld of grasstrook dan wel op een daartoe in aanleg zijn(de) terrein, indien door borden is aangegeven dat dit wordt hersteld of pas is ingezaaid.
3. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden op een bij de gemeente in onderhoud zijn(de) grasveld of grasstrook een tent, scherm of kampeerartikel te plaatsen of te hebben.
4. Het is aan een persoon die schoenen met noppen draagt verboden op een grasveld of grasstrook, gelegen in een bij de gemeente in onderhoud zijn(de) park, wandelplaats, plantsoen, groenstrook of andere groenvoorziening, te voetballen, te hockeyen of een andere veldsport te beoefenen.
5. De in het derde lid en in het vierde lid gestelde verboden zijn niet van toepassing indien de daar omschreven handelingen geschieden op plaatsen waar dit blijkens van gemeentewege geplaatste borden uitdrukkelijk is toegestaan.
Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d.
[vervallen]
Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
1. Het is verboden:
a. op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
b. zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan weggebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt.
2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:48 Openlijk drankgebruik
1. Het is verboden op openbare plaatsen alcoholhoudende drank te nuttigen als dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins overlast veroorzaken.
2. Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een, door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
3. Het bepaalde in het tweede lid geldt niet voor:
a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet;
b. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 Drank en Horecawet.
Artikel 2:49 Openlijk gedrag bij of in gebouwen
1. Het is verboden:
a. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;
b. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw.
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten
Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.
Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d.
Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek, indien:
a. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek;
b. daardoor die ingang wordt versperd.
Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.
Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.
Artikel 2:53 Bespieden van personen
[vervallen]
Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur
[vervallen]
Artikel 2:.55 Nodeloos alarmeren
[vervallen]
Artikel 2:56 Alarminstallaties
[vervallen]
Artikel 2:56a Brandkranen
Het is degene die daartoe niet bevoegd is verboden, op een openbare brandkraan een aansluiting te maken of te hebben waardoor daaraan water wordt of kan worden onttrokken, dan wel handelingen te verrichten waardoor daaruit water ontsnapt of kan ontsnappen.
Artikel 2:57 Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie
1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of lopen:
a. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zonder dat die hond is aangelijnd;
b. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak, speelweide of trap veld of op een andere door het college aangewezen plaats;
c. in een bij de gemeente in onderhoud zijnde vijver of andere waterpartij, tenzij deze door het college is aangewezen als hondenzwemplaats;
d. op de weg of openbare plaats zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiekenmerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
2. Het in het eerste lid, onder a, gestelde verbod geldt niet in gebieden die door het college zijn aangewezen als losloopgebieden.
3. De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een blinden-geleide- of hulp hond laat begeleiden en de hond daarvoor aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot blindengeleide- of hulp hond.
Artikel 2:58 Verontreiniging door honden
1. De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet binnen de bebouwde kom op een openbare plaats.
2. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven,
a. indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd;
b. op plaatsen die door het college aangewezen zijn als honden uitlaatplekken (hups);
c. in gebieden die krachtens artikel 2:57 lid 2, door het college zijn aangewezen als losloopgebieden.
3. De eigenaar of houder van een hond is verplicht op eerste vordering van een ambtenaar, belast met de zorg voor de naleving van het in dit artikel bepaalde, aan te tonen dat hij bij het uitlaten van die hond een deugdelijk hulpmiddel bij zich heeft, dat gezien de vorm en constructie als zodanig geschikt is voor het verwijderen van uitwerpselen.
4. De verplichtingen genoemd in het eerste en het derde lid gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een blindengeleide- of hulp hond laat begeleiden en de hond daarvoor aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot blindengeleide- of hulp hond.
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden
1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op het terrein van een ander:
a. anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt;
b. Anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt.
2. In afwijking van artikel 2:57, aanhef en onder d geldt voor het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond voorzien moet zijn van een optisch leesbaar, niet- verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of de buikwand.
3. In het eerste lid wordt verstaan onder:
a. muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Regeling agressieve dieren;
b. kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter.
4. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Regeling agressieve dieren.
Artikel 2:59a Gevaarlijk ras of type hond
[vervallen]
Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren
1. Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluitaangeduide dieren:
a. aanwezig te hebben; of
b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels, of
c. aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven.
2. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en de regels als bedoeld in het eerste lid, onder b, mogen uitsluitend zijn gebaseerd op het voorkomen of opheffen van hinder, overlast, schade aan de openbare gezondheid, gevaar voor mens of dier of gevaar voor verstoring van de openbare orde.
3. Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door het- college is aangegeven.
4. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.
5. Indien het aanwezig hebben van een of meer dieren gebeurt in strijd met het bepaalde krachtens het eerste lid, kan het college degene die het dier of de dieren aanwezig heeft aanschrijven tot het treffen van maatregelen ter voorkoming of opheffing van hinder, overlast, schade aan de openbare gezondheid, gevaar voor mens of dier of verstoring van de openbare orde.
6. Het bepaalde in dit artikel geldt niet:
a. voor het in de gemeente optreden van een circus waarvoor de Burgemeester overeenkomstig artikel 2:25 vergunning heeft verleend;
b. voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is.
Artikel 2:61 Vissen in gemeentelijke vijvers
1. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden te vissen in een bij de gemeente in onderhoud zijnde vijver of andere dergelijke waterpartij.
2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien het vissen geschiedt op plaatsen waar dit blijkens van gemeentewege geplaatste borden uitdrukkelijk is toegestaan.
Artikel 2:62 Loslopend vee
De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.
Artikel 2.63 In bewaring nemen van loslopend onbeheerd vee
[vervallen]
Artikel 2:64 opjagen van dieren
[vervallen]
Artikel 2:65 Verblijfsontzeggingen
[vervallen]
AFDELING 12. BESTRIJDING VAN HELING VAN ZAKEN
Artikel 2:66 Begripsbepaling
In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld:
a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;
b. de datum van verkoop of overdracht van het goed;
c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;
d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed;
e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
2. De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen.
Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht
De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:
a. De burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:
1. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;
2. van een verandering van de onder a, sub 1º, bedoelde adressen;
3. als hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;
4. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan.
b. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;
c. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;
d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.
Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen
[vervallen]
AFDELING 13 VUURWERK
Artikel 2:71 Begripsomschrijving
In deze afdeling wordt verstaan onder:
Consumentenvuurwerk: Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.
Artikel 2.72 Afleveren van vuurwerk
[vervallen]
Artikel 2.73 Bezigen van vuurwerk
1. Het is verboden consumentvuurwerk te bezigen op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.
2. Het is verboden consumentvuurwerk op een openbare plaats te bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
3. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voor zover artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
AFDELING 14 DRUGSOVERLAST
Artikel 2.74 Drugshandel op straat
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
AFDELING 15 VEILIGHEIDSRISICOGEBIEDEN EN CAMERATOEZICHT OP OPENBARE PLAATSEN
Artikel 2.75
[gereserveerd]
Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.
Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen
1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.
2. De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere voor een ieder toegankelijke plaatsen.
AFDELING 16 CARBIDSCHIETEN
Artikel 2:78 Begripsomschrijvingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft openbare samenkomsten en vermakelijkheden als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester;
b. bus: een al dan niet originele melkbus, of een andere bus van staal of ijzer, een container, een opslagvat, een buis of een ander daarmee gelijk te stellen voorwerp;
c. carbidschieten: het in een bus op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen carbid (calcium-acetylide) en water of van een gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen.
Artikel 2:79 Verbod carbidschieten
Carbidschieten in de openlucht is verboden.
Artikel 2:80 Vrijstelling verbod
1. Het verbod gesteld in artikel 2:79 geldt niet indien carbidschieten plaatsvindt op 31 december tussen 10.00 en 24.00 uur en op 1 januari tussen 00.00 en 02.00 uur, mits:
a. daarbij gebruik wordt gemaakt van een bus met een inhoud van ten hoogste 1 liter;
b. daarbij geen handelingen worden verricht of nagelaten waarvan degene die het carbidschieten verricht weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat daardoor gevaar, schade of hinder kan optreden voor personen of voor de omgeving.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, geldt het verbod gesteld in artikel 2.79 eveneens niet indien carbidschieten plaatsvindt op 31 december tussen 10.00 en 24.00 uur en op 1 januari tussen 00.00 en 02.00 uur buiten de bebouwde kom, mits:
a. daarbij gebruik wordt gemaakt van een bus met een inhoud van ten hoogste 50 liter;
b. daarbij geen handelingen worden verricht of nagelaten waarvan degene die het carbidschieten verricht weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat daardoor gevaar, schade of hinder kan optreden voor personen of voor de omgeving;
c. degene die het carbidschieten verricht, een schriftelijke toestemming daartoe kan overleggen van de eigenaar van het terrein van waaraf wordt geschoten;
d. de plaats op het terrein van waaraf wordt geschoten is gelegen:
1. op een afstand van ten minste 75 meter van woonbebouwing;
2. op een afstand van ten minste 300 meter van inrichtingen voor de intramurale zorg;
3. op een afstand van ten minste 300 meter van in gebruik zijnde voorzieningen voor het houden van dieren;
4. op een afstand van ten minste 500 meter van een vogelbeschermingsgebied.
e. wordt geschoten in een richting welke tegengesteld is aan de richting waarin de dichtstbijzijnde woonbebouwing is gelegen;
f. het vrije schootsveld ten minste 75 meter is en hierin geen verharde openbare wegen of paden liggen;
g. er geen bus deksels of andere gevaar zettende voorwerpen worden weggeschoten;
h. het gebruik van (voet)ballen of andere afsluitingen zodanig is dat daardoor geen schade aan mens, dier of goed kan worden veroorzaakt;
i. het terrein van waaraf wordt geschoten is afgezet met linten of ander vergelijkbaar materiaal;
j. binnen een cirkel met een straal van 100 meter rond de plaats waar het carbidschieten plaatsvindt, in totaal niet meer dan tien bussen voor het carbidschieten worden gebruikt dan wel gebruiksklaar voor carbid-schieten aanwezig worden gehouden;
k. de bussen zodanig stevig in de bodem, in een frame of op andere wijze zijn verankerd, dat terugslag wordt voorkomen;
l. het carbidschieten plaatsvindt door een persoon van ten minste 16 jaar oud die niet verkeert onder invloed van alcohol of andere psychotrope stoffen;
m. teneinde de veiligheid van het publiek en de eigen veiligheid te waarborgen, toezicht op het carbidschieten wordt gehouden door ten minste één persoon van ten minste 18 jaar oud die niet verkeert onder invloed van alcohol of andere psychotrope stoffen;
n. het terrein van waaraf wordt geschoten goed is verlicht indien het carbidschieten plaatsvindt na zonsondergang.
Artikel 2:81 Bij zich hebben van carbid
1. Het is verboden op of aan de weg carbid bij zich te hebben op andere dagen dan op 31 december tussen 10.00 en 24.00 uur en op 1 januari tussen 00.00 en 02.00 uur.
2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degenen aan wie carbid is afgeleverd, gedurende de tijd die nodig is om thuis te komen, noch op degene die aannemelijk maakt dat hij het carbid nodig heeft in de uitoefening van beroep of bedrijf.
Artikel 2:82 Aanwijzing gebieden zonder vrijstelling
Het gestelde in artikel 2:80 is niet van toepassing op door het bevoegde bestuursorgaan ter voorkoming van gevaar, schade of overlast of in het belang van de natuurbescherming aangewezen gedeelten van de gemeente of plaatsen.
Artikel 2:83 Ontheffing
Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het in het artikel 2.79 gestelde verbod.
Artikel 2:84 Toepasselijkheid
Deze afdeling is niet van toepassing voor zover de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
AFDELING 17. TOEZICHT OP GROWSHOPS C.A.
Artikel 2:85 Begripsomschrijvingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. inrichting: een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, handelingen en werkzaamheden worden verricht die verband houden met dan wel inherent zijn aan het exploiteren van hetgeen in het maatschappelijk verkeer vaak wordt aangeduid als een smartshop, headshop of growshop;
b. leidinggevende:
1. de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd;
2. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan de exploitatie van de inrichting;
3. de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van de inrichting;
c. bezoeker:
1. een ieder, die zich in een inrichting bevindt, met uitzondering van:
2. de leidinggevende(n) en de levenspartner en kinderen van een leidinggevende van de inrichting;
3. de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegen dringende redenen noodzakelijk is.
Artikel 2:86 Vergunningplicht
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een inrichting te exploiteren.
Artikel 2:87 Eisen leidinggevende
Een leidinggevende:
a. staat niet onder curatele;
b. is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij;
c. is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;
d. heeft de leeftijd van 21 jaar bereikt.
Artikel 2:88 Nadere regels
De burgemeester kan nadere regels vast stellen voor wat betreft het aantal inrichtingen waarvoor vergunning kan worden verleend alsmede voor die inrichting geldende nadere voorwaarden.
Artikel 2:89 Vergunningaanvraag
1. Voor het verkrijgen van een vergunning moet een aanvraag bij de burgemeester worden ingediend aan de hand van een door de burgemeester vast te stellen formulier.
2. Bij de aanvraag, bedoeld in het vorige lid, wordt tenminste:
a. opgaaf gedaan van de personalia van de leidinggevende(n) voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd;
b. opgaaf gedaan van de personalia en het adres van iedere overige leidinggevende;
c. overgelegd een recente pasfoto van de leidinggevende(n);
d. opgaaf gedaan van het adres en de aard van de bedrijfsuitoefening;
e. overgelegd een niet meer dan drie maanden tevoren ten behoeve van de leidinggevende afgegeven verklaring omtrent het gedrag;
f. overgelegd een nauwkeurige beschrijving van de inrichting, waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan en een plattegrond van de inrichting (schaal 1 : 100).
3. Per inrichting wordt niet meer dan één aanvraag gelijktijdig in behandeling genomen.
Artikel 2:90 Beslistermijn
1. De burgemeester beslist binnen dertien weken na de datum waarop de aanvraag met bijbehorende bescheiden is ontvangen.
2. De burgemeester kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen. De aanvrager van de vergunning wordt voor de afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis gesteld van de verdaging.
Artikel 2:91 Weigeringsgronden
1. De burgemeester weigert de vergunning indien de vestiging en/of de exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, met een leefmilieuverordening of met het bepaalde in of krachtens deze verordening.
2. De burgemeester kan de vergunning weigeren indien naar zijn oordeel door de aanwezigheid van de inrichting de openbare orde wordt aangetast en/of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting nadelig wordt beïnvloed.
3. Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester in ieder geval rekening met:
a. het karakter van de straat en van de wijk waarin de inrichting is gelegen of zal komen te liggen;
b. de aard van de inrichting;
c. de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting;
d. de concentratie van inrichtingen in een bepaald gebied;
e. de wijze van bedrijfsuitoefening door de leidinggevende(n) van de inrichting in deze of in andere inrichtingen;
f. de wijze van bedrijfsuitoefening van de inrichting in het verleden.
Artikel 2:92 Vergunning
1. In een vergunning worden vermeld:
a. de natuurlijke of rechtspersoon of -personen aan wie de vergunning is verleend;
b. de leidinggevenden;
c. tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt;
d. de plaats waar de inrichting zich bevindt;
e. de situering en de oppervlakten van de lokaliteiten.
2. De vergunning of een afschrift daarvan is in de inrichting aanwezig.
3. De vergunning wordt verleend voor een periode van ten hoogste 3 jaar.
Artikel 2:93 Aanwezigheid leidinggevende
Het is verboden een inrichting voor het publiek geopend te houden indien in de inrichting geen leidinggevende aanwezig is die vermeld staat op een vergunning met betrekking tot die inrichting.
Artikel 2:94 Intrekkingsgronden
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning intrekken, indien:
a. aannemelijk is, dat een leidinggevende van de inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;
b. een leidinggevende van de inrichting toestaat dan wel gedoogt, dat in zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd;
c. een leidinggevende van de inrichting zich schuldig maakt aan discriminatie naar ras, geslacht of seksuele geaardheid;
d. zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;
e. is gehandeld in strijd met artikel 2.93;
f. een niet daarin vermelde persoon leidinggevende is geworden met betrekking tot de inrichting, waarop de vergunning betrekking heeft;
g. indien de bedrijfsuitoefening van de inrichting voor een periode van langer dan 3 maanden is of wordt onderbroken;
h. indien niet langer wordt voldaan aan het bepaalde in of krachtens deze afdeling.
Artikel 2:95 Vervallen vergunning
De vergunning vervalt indien een vergunning, strekkende ter vervanging van een eerdere vergunning voor dezelfde inrichting, is verleend.
Artikel 2:96 Sluiting van inrichtingen
1. De burgemeester kan een inrichting - al dan niet voor een bepaalde duur - gesloten verklaren:
a. indien die inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning;
b. indien die inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met het bepaalde in deze verordening of met de aan de vergunning verbonden voorschriften.
2. De sluiting wordt geacht in het openbaar bekend te zijn gemaakt zodra een besluit tot sluiting op, in of nabij de toegang of toegangen van de inrichting is aangebracht.
3. Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbende(n) door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
4. Het is verboden, na het van kracht worden van de sluiting als bedoeld in het eerste lid, bezoekers tot de inrichting toe te laten of daarin te laten verblijven.
5. Het is een ieder verboden in een bij besluit van de burgemeester gesloten inrichting als bezoeker te verblijven.
Artikel 2:97 Toegang opsporingsambtenaren
De leidinggevende van een inrichting is verplicht ervoor te zorgen dat opsporingsambtenaren, als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering alsmede de ambtenaren die door het college of de burgemeester met de zorg voor de naleving van deze verordening zijn belast, vanaf de weg onmiddellijk en onbelemmerd toegang hebben tot zijn bedrijf:
a. gedurende de tijd dat de inrichting voor bezoekers geopend is; dan wel
b. gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn en indien die opsporingsambtenaren hun vermoeden uiten dat daarin of aldaar bezoekers aanwezig zijn.
Artikel 2:98 Overgangsbepaling
[vervallen]
AFDELING 18. RECREATIEPARK HET RUTBEEK
Artikel 2.99 Openingstijden
1. Het is verboden zich tussen zonsondergang en zonsopgang in Het Rutbeek te bevinden.
2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor wegen die bestemd of mede bestemd zijn voor rijverkeer, woningen met bijbehorende erven en voor het publiek toegankelijke bedrijven, en door de Regio Twente aangewezen terreingedeelten.
Artikel 2.100 Rij- en trekdieren
1. Het is in Het Rutbeek verboden zich buiten de wegen en paden te bevinden met een rij- of trekdier.
2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor door de Regio Twente als zodanig aangewezen ruiterpaden en terreinen.
Artikel 2.101 Vaartuigen
1. Het is in Het Rutbeek verboden met een vaartuig ligplaats te kiezen en/of in te nemen, zich daarmee in het water te bevinden, te varen of te doen varen.
2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor door de Regio Twente als zodanig aangewezen water of gedeelten daarvan ten aanzien van de daarbij door de Regio Twente aangewezen categorieën van vaartuigen.
Artikel 2.102 Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie
1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond in Het Rutbeek te laten verblijven of te laten lopen:
a. op een openbaar plaats zonder dat die hond is aangelijnd;
b. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak, trimbaan, stranden, zonneweiden, speelweiden, openbaar water, de daarin gelegen paden en in voor het publiek, al dan niet met enige beperking toegankelijke gebouwen en ruimten;
c. op een openbare plaats zonder te zijn voorzien van een halsband of een door middel van tatoeage aangebracht identificatiemerk, dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is, of indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond.
3. De Regio Twente is bevoegd gedeelten van Het Rutbeek aan te wijzen waar het in het eerste lid gestelde verbod niet geldt.
HOOFDSTUK 2 › AFDELING 1.
Artikel 2:1
Samenscholing en ongeregeldheden
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Enschede 2009
Verwijzingen
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 30c
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994
- Artikel 2
- artikel 30b
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 437
- artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 7c van de Wet op de kansspelen
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 30
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 27h van de Wet op de kansspelen
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994
- Artikel 2
- artikel 151c van de Gemeentewet
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 30
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 30
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 30
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 1
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 30
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 1
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 13b van de Opiumwet
- artikel 30 van de Wet op de kansspelen
- artikel 174 van de Gemeentewet
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 437
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 174 van de Gemeentewet
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 160
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 174 van de Gemeentewet
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 13b van de Opiumwet
- artikel 151b van de Gemeentewet
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 424
- artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
- Artikel 2
- artikel 429
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 1
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2