Naar hoofdinhoud

Afdeling II.

Artikel 3.

Artikel 3.

Onderdeel van Parkeerverordening Veldhoven 2004

1.. Burgemeester en wethouders kunnen op een daartoe strekkende aanvraag een vergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen of parkeerapparatuurplaatsen; 2.. Een eerste bewonersvergunning kan alleen worden verleend aan de eigenaar of houder van een motorvoertuig wanneer die volgens het bevolkingsregister als bewoner op een adres staat ingeschreven waar een belanghebbendenplaats of parkeerapparatuurplaats aanwezig is; 3.. Een tweede bewonersvergunning kan worden verleend aan de eigenaar of houder van een motorvoertuig wanneer die volgens het bevolkingsregister als bewoner op het zelfde adres als op basis waarvan een eerste vergunning is verleend, staat ingeschreven; 4.. Een eerste bewonersvergunning wordt als tweede vergunning behandeld wanneer de bewoners beschikken over een eigen adequate parkeervoorziening in de directe nabijheid van de woning; 5.. Hierbij gelden voor een garage de afmetingen 2.60 x 4.60 m als adequate parkeervoorziening; 6.. Per adres geldt in principe een maximum van twee bewonersvergunningen; 7.. Indien op hetzelfde adres volgens het bevolkingsregister een derde persoon als meerderjarige bewoner is ingeschreven en eigenaar of houder van een motorvoertuig is, kan deze onder bepaalde voorwaarden een derde bewonersvergunning tegen eenzelfde tarief als een tweede bewonersvergunning worden verleend; 8.. Een algemene vergunning kan worden verleend aan iedere eigenaar of houder van een motorvoertuig die daartoe een aanvraag indient, met inachtneming van het gestelde in artikel D; 9.. Een ondernemersvergunning voor de gebieden I en II kan alleen worden verleend aan de eigenaar of houder van een motorvoertuig, wanneer die volgens de Kamer van Koophandel een onderneming heeft in gebied I zoals beschreven in de Parkeerbelastingverordening 2004. Per adres wordt maximaal één ondernemersvergunning verleend; 10.. Aan een vergunning kunnen zowel beperkingen worden verbonden met betrekking tot de te gebruiken parkeerplaatsen als met betrekking tot de tijdstippen waarop de vergunning van kracht is; 11.. Burgemeester en wethouders kunnen aan een parkeervergunning ook andere voorschriften en beperkingen verbinden. Deze voorschriften mogen alleen strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte; 12.. Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen afwijken van alle in dit artikel bedoelde voorschriften, wanneer dit niet strijdig is met het beschermen van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte.

Rechtspraak bij dit artikel