1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg
aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te
graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te
veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van
aanleg van een weg.
2.De vergunning wordt verleend:
a.als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de
activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan,
beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit;
of
b.door het college in de overige gevallen.
3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in
opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken
worden verricht.
4.Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt
voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer
rijkswaterstaatswerken, de provinciale wegenverordening, de
waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren.
5.Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3
van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking
bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 5
Artikel 2:11
(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2014