Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Algemene bepalingen

Onderdeel van GEDRAGSCODE MEDEWERKERS BAR-ORGANISATIE

Lid 1 De werkgever evalueert periodiek het integriteitsbeleid. Lid 2 De BAR-organisatie mag nooit door een medewerker in diskrediet worden gebracht en de medewerker mag geen verplichtingen aangaan ten opzichte van iedere burger, organisatie of instelling anders dan in puur functionele zin. Lid 3 De medewerker moet zijn functie onafhankelijk kunnen uitoefenen zonder zich te laten beïnvloeden of onder druk gezet te voelen. De medewerker handelt zodanig dat er geen andere dan functionele verplichtingen worden ervaren ten aanzien van andere personen of instanties. Ook de schijn in dezen van niet-integer handelen wordt voorkomen. Lid 4 Wanneer een medewerker persoonlijk belang heeft, laat hij of zij dit geen rol spelen ten aanzien van besluitvorming en/of advisering. Indien mogelijk onthoudt de medewerker zich in dergelijke situaties van beraadslaging, advisering en/of besluitvorming. Lid 5 Indien er sprake is van een situatie als bedoeld in lid 4 van dit artikel, bespreekt de medewerker dit met zijn leidinggevende. Indien dit niet mogelijk is, wordt melding gedaan van de situatie aan de werkgever, een en ander tot doel zo veel mogelijk openheid te betrachten en de schijn van niet-integer handelen te voorkomen. Lid 6 De betreffende zaken uit deze gedragscode worden besproken tijdens de jaarlijkse gesprekscyclus met de medewerkers. Lid 7 Deze gedragscode is openbaar en door derden te raadplegen. Lid 7 Alle medewerkers ontvangen bij hun aantreden een (digitaal) exemplaar van de gedragscode.

Rechtspraak bij dit artikel