Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 16

Bescherming van de medewerker

Onderdeel van REGELING MELDING VERMOEDEN MISSTAND (KLOKKENLUIDERSREGELING) BAR-ORGANISATIE

Lid 1 De medewerker zal als gevolg van de melding van een vermoeden van een misstand geen nadelige gevolgen ondervinden voor zijn rechtspositie. Onder nadelige gevolgen worden in ieder geval verstaan besluiten tot: het verlenen van ongevraagd ontslag; het niet verlengen van een aanstelling voor bepaalde tijd; het niet omzetten van een aanstelling voor bepaalde tijd in een vaste aanstelling; de opgelegde benoeming in een andere functie; het treffen van disciplinaire maatregelen; het onthouden van salarisverhoging, incidentele beloning of toekenning van vergoedingen; het onthouden van promotiekansen en het afwijzen van een verlofaanvraag, voor zover deze besluiten worden genomen vanwege de melding. Lid 2 De werkgever draagt er zorg voor dat de melder ook anderszins bij de uitoefening van zijn functie geen nadelige gevolgen van de melding ondervindt. Lid 3 Het bepaalde in lid 1 en 2 van dit artikel geldt ook voor de medewerker die te goeder trouw een vermoeden van een misstand meldt in een andere organisatie dan die van de Gemeenschappelijke regeling BAR-organisatie, volgens een bij die organisatie geldende regeling. De bescherming geldt alleen als de medewerker: uit hoofde van zijn functie met die andere organisatie samenwerkt of heeft samengewerkt; uit hoofde van zijn functie kennis heeft verkregen van de vermoede misstand; het vermoeden van de misstand tijdig bij zijn leidinggevende heeft gemeld; zich heeft gehouden aan de afspraken die ter zake van deze melding met hem zijn gemaakt door de werkgever.

Rechtspraak bij dit artikel