Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 2:11

(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Leidschendam-Voorburg

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg mede verstaan alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor het aanleggen van geveltuintjes of aanpassen van boomspiegels, mits degene die voornemens is het geveltuintje aan te leggen of de boomspiegel aan te passen, daarvan uiterlijk 2 weken van te voren melding doet aan het college en wordt voldaan aan de nadere regels uit hoofde van het zesde lid. Het college stelt nadere regels voor het aanleggen van geveltuintjes en boomspiegels. Het verbod geldt voorts niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale wegenverordening, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Rechtspraak bij dit artikel