1.Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4, aanhef
en onderdeel f,
van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de toepassing van die wet
als
dienstbetrekking wordt aangemerkt kan deelnemen aan de fietsregeling als
bedoeld
in artikel 37 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Naar keuze
van het
raadslid wordt de raadsvergoeding dan wel vaste onkostenvergoeding
verminderd
met de vergoeding voor de fiets als bedoeld in de
Uitvoeringsregeling.
2.Gelet op het bepaalde in artikel 99 van de Gemeentewet bestaat geen
aanspraak op
enige vergoeding van de gemeente.
Hoofdstuk II
Artikel 10a
Fietsregeling
Onderdeel van nr 01.14 Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2007