Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Grenzen aan mandaat, volmacht of machtiging

Onderdeel van Mandaat-, Volmacht- en Machtigingbesluit 2014

1. Bij de verlening van een mandaat, volmacht of machtiging houden het college van burgemeester en wethouders, de burgemeester, de heffingsambtenaar en invorderingsambtenaar in zijn algemeenheid rekening met de volgende uitgangspunten: a. onderwerpen die reeds geregeld zijn bij de totstandkoming van de BWB, de ISO en de OMWB en de daartoe opgestelde aanwijzingsbesluiten lenen zich niet voor mandaat; b. bestuurlijk/politiek gevoelige zaken komen niet in aanmerking voor mandaat; c. er moet sprake zijn van efficiëntie en tijdwinst; d. in principe wordt zo laag mogelijk in de organisatie gemandateerd; e. besluiten van privaatrechtelijke aard dienen binnen daartoe bestemde budgetten te vallen waarbij de bevoegdheden in het kader van het budgethouderschap in acht dienen te worden genomen. 2. Onverminderd het bepaalde in lid 1 dient een in mandaat-, volmacht- of machtigingverhouding te nemen besluit door het college van burgemeester en wethouders of de burgemeester te worden besloten, indien: a. het besluit leidt tot afwijking van of aanvulling op het dan toe gevoerde beleid; b. het besluit niet past binnen de daartoe bestemde (afdelings)budgetten; c. het college, de burgemeester, de heffingsambtenaar of de invorderingsambtenaar dit kenbaar heeft gemaakt; d. bij betrokkenheid van meerdere afdelingen één van de afdelingen over het te nemen besluit een afwijkend of negatief advies heeft uitgebracht, dan wel de budgethouder een negatief advies heeft uitgebracht; e. het een afwijzend besluit betreft, tenzij anders is geregeld in de mandaatlijst. 3. Wanneer persoonlijke betrokkenheid van de mandaatontvanger, volmachtontvanger of machtigingontvanger bij het te nemen besluit bestaat vindt besluitvorming plaats door de hiëarchisch hoger geplaatste persoon op de afdeling, in het geval van een afdelingshoofd door de gemeentesecretaris of een ander afdelingshoofd, en in het geval van de gemeentesecretaris door het bevoegde bestuursorgaan. 4. Ingeval de mandaatontvanger, volmachtontvanger of machtigingontvanger op basis van het bepaalde in het tweede lid een te nemen besluit voorlegt aan het college van burgemeester en wethouders, de burgemeester, de heffingsambtenaar of de invorderingsambtenaar, nemen deze bestuursorganen het besluit zelf of geven de condities, waaronder de mandaatontvanger, volmachtontvanger of machtigingontvanger gebruik mag maken van zijn bevoegdheid. 5. Ingeval artikel 169, vierde lid, van de Gemeentewet van toepassing is neemt het college van burgemeester en wethouders het besluit zelf. 6. Indien door de mandaatontvanger wordt gehandeld in strijd met het bepaalde in het tweede lid van dit artikel, doet dit niets af aan de rechtsgeldigheid van het in mandaat genomen besluit. 7. Bij de uitoefening van bevoegdheden als bedoeld in de mandaten lijst wordt het daaromtrent gestelde bij of krachtens wetten, besluiten, verordeningen, regelingen, aanwijzingen en richtlijnen, hoe ook genaamd van Europese, rijks-, provinciale- en gemeentelijke wetgevers of andere bestuursorganen in acht genomen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel