In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
Wet: Wet Werk en Bijstand
Belanghebbende: de persoon die ten behoeve van zichzelf, zijn eventuele partner en, of één, of meerdere kinderen een voorziening in het kader van deze beleidsregel verzoekt.
Partner: de persoon die al of niet gehuwd met de belanghebbende een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.
Gezamenlijke huishouding: bij de beoordeling of er sprake is van een gezamenlijke huishouding wordt aangesloten bij de bepalingen van de wet werk en bijstand.
Brugklasser: het ten laste komende eigen kind of stiefkind dat voor het eerst voortgezet onderwijs gaat volgen.
Inkomen: het inkomen van belanghebbende zoals bedoeld in artikel 32 en 33 lid 1 van de wet verminderd met de ontvangen vakantietoeslag. Tot het inkomen wordt ook gerekend de bijstand voor algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan zoals genoemd in artikel 5 onder b van de wet. Bij een gehuwde wordt uitgegaan van de som van het inkomen van belanghebbende en zijn partner.
Peilmaand: de maand april van het kalenderjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft.
Norm: bedrag voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, wat bestaat uit
het bedrag voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan zoals bedoeld in artikel 5 onder b van de wet;
het bedrag voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan wordt voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder vermeerderd met de toeslag;
de uitkomst van het gestelde onder 1° en 2° wordt verminderd met de in de wet geldende vakantietoeslag;
toeslag: het maximale bedrag van de toeslag als bedoeld in artikel 25 van de Wet werk en bijstand, voor zover deze toeslag op de situatie van belanghebbende van toepassing is;
vermogen: het vermogen van belanghebbende zoals bedoeld in artikel 34 van de wet. Bij een gehuwde wordt uitgegaan van de som van het vermogen van belanghebbende en zijn partner.
Hoofdstuk
Artikel 1
Begrippen
Onderdeel van Beleidsregel tegemoetkoming brugklassers gemeente Zwolle 2014