Naar hoofdinhoud

Paragraaf 3

Artikel 14.

Citeertitel

Onderdeel van Verordening subsidie aanpak dioxineproblematiek 2014-2017

Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening subsidie aanpak dioxineproblematiek 2014-2017”. Aldus vastgesteld in de vergadering van 15 juli 2014 Burgemeester en wethouders voornoemd, Peter Veenman Arnoud Rodenburg gemeentesecretaris burgemeester Algemene toelichting op de Verordening subsidie aanpak dioxineproblematiek 2014-2017 Dioxine problematiek Gedurende een groot aantal jaren is voor agrariërs in de polders Aalkeet-Binnenpolder en Aalkeet-Buitenpolder sprake van een belemmering in hun bedrijfsvoering veroorzaakt door aanwezige dioxines en aan dioxine verwante PCB’s (polychlorobifenylen). Deze belemmering uit zich in een grondwaardedaling en extra kosten die gemaakt worden doordat zij in de bedrijfsvoering rekening moeten houden met de dioxinebelasting. Voorbeelden zijn dat in het voorjaar de koeien op een later tijdstip vanuit de stal naar het weiland kunnen en een verminderde grasopbrengst. Naar aanleiding van een incident in 2004 met één van de filters van de draaitrommelovens van de AVR (Afvalverwerking Rijnmond) heeft de voormalige VWA (voedsel- en warenautoriteit) in 2004 en 2005 melk en gras in de regio bemonsterd. Hieruit bleek dat de dioxinegehalten in gras gedurende de winter en het voorjaar langer verhoogd waren dan verwacht. Deze waarden daalden aanzienlijk in de zomerperiode. Gelet op de weersomstandigheden, grasgroei en bedrijfsvoering ontstond het vermoeden dat naast de incidentele depositie van dioxines er ook sprake zou kunnen zijn van een zogenaamd ‘wintereffect’. Vervolgens is door het RIVM en RIKILT in 2006 nader onderzoek gedaan naar de dioxinegehalten in grond, gras en melk. Dit onderzoek is november 2006 door het RIKILT gerapporteerd in onderzoeksrapport 2006.015. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat de waarden van bodem, gras en melk in het gebied voldoen aan de norm. Wel zijn de waarden verhoogd ten opzichte van andere referentiegebieden. Vermoedelijk bevat, door de te hoge dioxineneerslag in het verleden en de slechte afbreekbaarheid daarvan, de grond een historische dioxinevervuiling. De industriële activiteiten aan de rand van het gebied kunnen voor een extra dioxinebelasting zorgen. Hierdoor bestaat het risico dat een combinatie van factoren op bepaalde tijdstippen kan resulteren in het tijdelijk overschrijden van de norm. Diverse deskundigheidsadviezen zijn uitgebracht om deze normoverschrijding te voorkomen. In de praktijk passen de agrariërs deze toe. De adviezen zijn onder andere het later in het voorjaar beweiden van de agrarische gronden en iets gewijzigde perioden voor het gebruik van gemaaid gras als voeder voor de koeien. Historische vervuiling en normering Bij de dioxineproblematiek is sprake van een historisch verklaarbare vervuiling. Uit het wetenschappelijk onderzoek blijkt dat de vervuiling niet toeneemt. Dit is ook verklaarbaar vanuit de diverse Europese en nationale overheidsmaatregelen om uitstoot van dioxines en PCB’s te verminderen. Aangenomen kan worden dat de vervuiling niet toeneemt. Dioxines komen vooral vrij bij verbrandingsprocessen uit bijvoorbeeld industrie en verkeer. Eenmaal neergeslagen in de bodem binden dioxines sterk aan bodemdeeltjes en hopen daardoor op in de bovenste bodemlagen. Doordat dioxines nauwelijks afbreken, kan een vervuiling die in het verleden is veroorzaakt nu nog steeds grote gevolgen hebben. Gelet op de lange afbreekperiode is het verantwoord om te investeren in het keren van grond, waardoor de dioxine niet meer wordt opgenomen in flora en fauna. De in de landbouwproducten aangetroffen percentages blijven binnen de gestelde wettelijke normering. Voor de verbetering van de kwaliteit van het voedsel is het wenselijk de percentages dioxines verder te verminderen. Ook is dit wenselijk voor de in de landbouwgebieden levende flora en fauna daar de dioxine via opname in bijvoorbeeld insecten ook elders in de kringloop terecht komt en daarmee direct van invloed is op de weidevogelstand. Doestelling subsidieverordening De doelstelling van de subsidie is om de belemmeringen in de bedrijfsvoering op te heffen, waardoor de agrariërs in de beide polders binnen gelijkwaardige bedrijfsomstandigheden als agrariërs in andere polders hun werkzaamheden kunnen uitvoeren. De gemeente Midden-Delfland acht dit tot haar kerntaak behoren, daar de agrariërs de hoeders van het landschap van Midden-Delfland zijn. Door te zorgen voor de juiste economische omstandigheden worden de agrariërs in het gebied in staat gesteld om deze functie op een duurzame wijze in te vullen. De Aalkeet-Binnenpolder en de Aalkeet-Buitenpolder zijn gelegen binnen de gemeenten Midden-Delfland, Maassluis en Vlaardingen. De dioxineproblematiek doet zich alleen voor in deze polders en beperkt zich niet tot de gemeentegrenzen. De subsidie staat dan ook open voor agrarische ondernemers uit deze 3 gemeenten waarvan de gronden zijn gelegen binnen de beide polders. Aan deze gemeenten is toegezegd dat de gemeente Midden-Delfland binnen de Europese regelgeving en met gebruik making van externe middelen de dioxineproblematiek aanpakt. Deze subsidieverordening is voor het grootste gedeelte van de problematiek daarvoor de oplossing. Dekking uitgaven De kosten voor de aanpak van de subsidieproblematiek zijn aanzienlijk. Daar sprake is van een historische vervuiling is het niet meer mogelijk de schade op de veroorzakers te verhalen. Wel is uit wetenschappelijk onderzoek gebleken dat geen sprake meer is van een toename van de vervuiling. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid om met een eenmalige subsidie een oplossing van het probleem te creëren. Langere tijd is het probleem geweest om hiervoor de benodigde financiële middelen beschikbaar te krijgen. Deze gevonden als gevolg van de opheffing van de Reconstructiecommissie Midden-Delfland. Bij de opheffing van deze commissie resteerde een niet meer bestemd budget van ruim € 400.000,-. Het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, waar de Reconstructiecommissie Midden-Delfland toe behoorde, heeft dit budget via de provincie Zuid-Holland beschikbaar gesteld. Voorwaarde is dat het besteed wordt aan de oplossing van de problematiek in het deelgebied Lickebaert. Dit deelgebied bestaat uit de Aalkeet-Binnenpolder en Aalkeet-Buitenpolder. Maatregelen 2013 In 2013 is het instrument van subsidie voor agrariërs voor de eerste maal toegepast. Van deze mogelijkheid hebben twee agrariërs gebruik gemaakt. Met toepassing van de Verordening (EG), nr. 1857/2006 van de Europese Commissie is het keren van gronden gesubsidieerd. In totaal is een oppervlakte van 12,5 hectare gekeerd. Hierdoor is de aanwezige dioxine verdund over een grote hoeveelheid grond, waardoor de uitstoot naar de natuurlijke omgeving is verminderd. Staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen Het verstrekken van subsidie aan ondernemingen kan de concurrentieverhoudingen op de vrije markt verstoren. Anderzijds is het regelmatig nodig om subsidie te verstrekken om overheidstaken te realiseren, waarbij de subsidie als stimulans voor ondernemers kan worden ingezet. Het verstrekken van subsidie is dan mogelijk, mits aan de Europese regelgeving op dit vlak wordt voldaan. Het verstrekken van subsidie op basis van deze verordening aan de agrarische ondernemingen heeft als specifieke overheidsdoelstelling het open agrarische cultuurlandschap van Midden-Delfland te behouden en te versterken. Artikel 88 van het EG-verdrag bepaalt dat lidstaten vooraf aan het verstrekken van steunmaatregelen dit moeten melden bij de Europese Commissie. Verordening (EG) 994/98 van de Raad van Europa machtigt de Europese Commissie om categorieën van steun vast te stellen die verenigbaar zijn met de interne markt en niet onderworpen zijn aan de aanmeldingsverplichting. Deze aangewezen categorieën worden opgenomen in een vrijstellingsverordening. De Raad van Europa heeft op 22 juli 2013 bij Verordening (EU), nr. 733/2013 de Europese Commissie gemachtigd om de groepsvrijstellingen uit te breiden. Voor landbouwbedrijven zijn deze vrijstellingen opgenomen in de Verordening (EU), nr. 702/2014 van 25 juni 2014 van de Europese Commissie. Landbouwbedrijven vallen onder de Europese definitievorming van midden- en kleinbedrijf kunnen hiermee vallen binnen de werking van die verordening. In artikel 14, derde lid, van de Verordening (EU), nr. 702/2014 is aangegeven bij welke doelstellingen voor investeringen een vrijstelling en voorafgaande meldingsplicht voor staatssteun geldt. Voor de aanpak van de dioxineproblematiek zijn de leden a, b en d relevant. Hert gaat hier om investeringen met als doelstelling het verlagen van de productiekosten, verbetering en omschakeling van de productie, verhoging van de kwaliteit en instandhouding en verbetering van het natuurlijk milieu en instandhouding van biodiversiteit van soorten en habitats. Door het keren van de gronden worden de productiekosten verlaagd, is sprake van een verhoging van de kwaliteit van de productie doordat het percentage dioxine in het voedsel verlaagd en wordt het natuurlijk milieu verbeterd. Dit zowel voor het landschap, als de aanwezige flora en fauna. Hiermee is subsidie op basis van de Verordening (EU), nr. 702/2014 mogelijk. Percentage staatssteun De toekenning van een subsidie dient transparant te zijn, wat inhoudt dat vooraf nauwkeurige percentages zijn vastgesteld. De verordening biedt de mogelijkheid subsidie tot 80% van de door een externe deskundige vastgestelde kosten. Een uitzondering hierop is de ‘jonge landbouwer’; hiervoor geldt een maximum percentage van 90%. Uitgangspunt van de Europese commissie is dat l 40% steun wordt verleend, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Die bijzondere omstandigheden zijn: a)Het gebied is aan te merken als probleemgebied (Less Favoured Area b)De investeringen aanleiding geven tot extra kosten in verband met de bescherming en verbetering van het milieu, de verbetering van de hygiëne op veehouderijbedrijven of de verbetering van het welzijn van landbouwhuisdieren; c)De investeringen verder gaan dan wat volgends de geldende communautaire minimumeisen nodig is, of voor met het oog op de naleving van pas ingevoerde minimumnormen gedane investeringen noodzakelijk is; d)De verhoging beperkt blijft tot de noodzakelijke extra in aanmerking komende kosten en mag niet worden toegepast voor investeringen die een stijging van de productiecapaciteit tot gevolg hebben. Ad a In het maatregelenpakket POP-2 heeft de lidstaat Nederland het gebied Midden-Delfland aangewezen als probleemgebied (LFA, Less Favoured Areas). Deze aanwijzing is gebaseerd op de Verordening (EG), nr. 1698/2005 en daarop gebaseerde uitvoeringsbesluiten. De provincie Zuid-Holland heeft deze gebiedsaanwijzing bestendigd in haar uitvoeringsbesluit voor landbouw en natuurbeheer (SAN). In de toekomst is de nieuwe aanwijzing van gebieden gebaseerd op artikel 32 Verordening (EU), nr. 1305/2013. Deze aanwijzing moet plaatsvinden in POP3, waarvan de verwachting is dat deze in het najaar 2014 wordt goedgekeurd door de Europese Commissie. Voor de aanwijzing van de probleemgebieden in Zuid-Holland is door provinciale staten in het Natuurbeheerplan 2013 al opgenomen dat de bestaande begrenzing van probleemgebieden ongewijzigd blijft. Reële verwachting is dan ook dat die begrenzing definitief wordt vastgesteld en ook na 1 januari 2015 de Aalkeet-Binnenpolder en Aalkeet-Buitenpolder aangewezen blijven als probleemgebied. Ook in het rapport van Alterra, nr. 2478 (oktober 2013), met als titel Nationale invulling vergroening GLB vanuit het perspectief van biodiversiteit is het advies om beide polders te betrekken bij de aanwijzing als probleemgebied. Op basis hiervan is een verhoging van het subsidiepercentage met 20% toegestaan. Ad b Zie hiervoor de eerdere toelichting. Op basis hiervan is een extra verhoging van het subsidiepercentage met 20% toegestaan. Ad c Op dit moment is geen sprake van overschrijding van de gestelde dioxinormen. Dit komt door de aangepaste belemmerende bedrijfsvoering. De investeringen die worden gepleegd zijn dan ook daadwerkelijk bestemd voor verbetering van het milieu. Ad d De investering is beperkt tot de noodzakelijk objectief vast te stellen en kosten en biedt geen mogelijkheid tot stijging van de productiecapaciteit. Conclusie is dat aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan, waardoor in zijn totaliteit een subsidie van 80% binnen de normen van staatssteun is toegestaan binnen Verordening (EU), 702/2014 genoemde criteria. Subsidiering is mogelijk, waarbij de gemeente een kennisgevingsplicht heeft. Subsidieverordening Midden-Delfland 2013 Op de toekenning van subsidie zijn de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Algemene subsidieverordening Midden-Delfland 2013 van toepassing. Laatstgenoemde verordening biedt het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid om nadere regels in te stellen. Hiervan is gebruik gemaakt door vaststelling van de Verordening subsidie aanpak dioxineproblematiek. Op deze subsidieverordening zijn de in de Awb en de algemene subsidieverordening opgenomen voorschriften van overeenkomstige toepassing en worden in de nadere regels niet meer apart genoemd. In verband met een heldere communicatie is er voor gekozen om de naamgeving van het document aan te passen in ‘verordening’, in plaats van ‘nadere regels’. Artikelsgewijze toelichting

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel