Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3: › Paragraaf II

Artikel 3.7

Bouwplicht, termijnen

Onderdeel van Algemene Voorwaarden voor de Verkoop van onroerende zaken 2013 (AVV 2013)

a.. Koper is verplicht de grond te bebouwen met de in de uitgifte-overeenkomst aangegeven bebouwing. b.. Koper is geheel voor eigen rekening en risico verantwoordelijk voor het tijdig verkrijgen van vergunningen, ontheffingen, beschikkingen, et cetera, die benodigd zijn voor de realisatie van het bouwplan. c.. Binnen 1 jaar na datum van het ondertekenen van de notariële akte moet met de op de grond te stichten bebouwing worden begonnen; indien daartoe aanleiding bestaat, kan deze termijn door burgemeester en wethouders worden verlengd. d.. Binnen 2 jaar na datum van het ondertekenen van de notariële akte moet de op de grond te stichten bebouwing voltooid en gebruiksklaar zijn; indien daartoe aanleiding bestaat, kan deze termijn door burgemeester en wethouders worden verlengd. e.. indien na verloop van de in lid d. genoemde termijn (2 jaar) de bebouwing wel is begonnen maar nog geen vijftig procent (50%) van de geschatte bouwtijd is verlopen, is koper aan de gemeente een boete verschuldigd ter grootte van tien procent (10%) van de koopsom met een minimum van twintigduizend euro (€20.000,00) tenzij koper genoegzaam kan aantonen dat het niet nakomen van de verplichting genoemd in lid d. te wijten is aan omstandigheden die hem redelijkerwijs niet kunnen worden toegerekend. f.. Indien na verloop van de in lid d. genoemde termijn (2 jaar) de bebouwing is begonnen, maar meer dan vijftig procent (50%) van de bebouwing gereed is, verlenen burgemeester en wethouders uitstel van bouwplicht voor de periode van de geschatte bouwtijd van het restant van de bebouwing. Indien na verloop van die verlening nog steeds een wezenlijk deel van de bebouwing moet geschieden is koper aan de gemeente een boete verschuldigd overeenkomstig het bepaalde in lid e. van dit artikel, onverminderd het recht van de gemeente om de volledige nakoming van de bouwplicht te vorderen. g.. Zolang de bebouwing niet voltooid en gebruiksklaar is, mag koper de onroerende zaak niet zonder toestemming van burgemeester en wethouders noch in juridische noch economische eigendom overdragen, in erfpacht uitgeven, met beperkte rechten bezwaren, verhuren of verpachten. Een verzoek om toestemming moet koper schriftelijk en gemotiveerd indienen bij burgemeester en wethouders. Burgemeester en wethouders kunnen voorwaarden aan deze toestemming verbinden. Voor vestiging van het recht van hypotheek is geen toestemming nodig. Bij niet nakoming van het in dit lid bepaalde is koper een onmiddellijk opeisbare boete verschuldigd van twintig procent (20 %) van de koopsom met een minimum van vijftigduizend euro (€50.000). h.. Het bepaalde in lid g. is niet van toepassing in geval van verkoop op grond van een machtiging van de rechter als bedoeld in artikel 3:174 BW; executoriale verkoop door hypothecaire schuldeisers als bedoeld in artikel 3:268 BW; overlijden van koper of diens levensgezel in geval van de bouw van een woning bestemd voor zelfbewoning. i.. De in lid g. bedoelde toestemming wordt geacht te zijn verleend als de overdracht van de onroerende zaak geschiedt ter uitvoering van een tussen de in de koopovereenkomst genoemde koper en (een) derde(n) gesloten koop-/aannemingsovereenkomst als bedoeld in artikel 3.8 (ABC-bepaling) van de AVV 2013. Het in dit lid gestelde geldt uitsluitend voor de in de koopovereenkomst genoemde koper(s) en gaat niet over op diens rechtsopvolgers. j.. De toepassing van dit artikel sluit de toepasselijkheid van artikel 3.4 (bouwverbod) uit.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel