Naar hoofdinhoud
De erfpachter is verplicht vanaf de vestiging van het recht jaarlijks een canon te betalen aan de gemeente. De hoogte van de canon wordt bij het aangaan van de erfpachtovereenkomst c.q. na verloop van de periode als bedoeld in lid 3 van dit artikel, bepaald aan de hand van de door de gemeente vastgestelde Nota Grondprijzen of een daarvoor in de plaats komende regeling. De hoogte van de canon kan voor een periode van 5, 10 of 30 jaar worden vastgezet door de erfpachter. Bij de vestiging van het recht vangt deze periode aan. De betaling van de jaarlijkse canon geschiedt zonder enige korting (uit welke hoofde ook) bij vooruitbetaling in halfjaarlijkse termijnen en vangt aan bij vestiging van het recht. Indien overeenkomstig artikel 8 lid 5 het perceel voor de vestiging in gebruik is genomen door de erfpachter, dan is hij vanaf dat moment een vergoeding verschuldigd die gelijk is aan de canon tot aan de datum van vestiging van het recht van erfpacht. Indien de canon en/of de vergoeding zoals vermeld in lid 4 niet of niet-tijdig is betaald, is de erfpachter naast de verschuldigde canon en/of vergoeding tevens de wettelijke rente (handelstransactie respectievelijk niet-handelstransactie) verschuldigd. Bij de berekening van de rente wordt een maand op 30 dagen en een jaar op 360 dagen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel