1.De volgens artikel 1 vastgestelde duur van de vakantie wordt bij een volledige betrekking en conform de in de leden 2 en 3 van artikel 1 vermelde berekening, vermeerderd overeenkomstig de hiernavolgende tabel.
a. bij het bereiken van de leeftijd van 30 jaar / danwel een diensttijd van 10 jaar: 7,2 uren
b. bij het bereiken van de leeftijd van 35 jaar / danwel een diensttijd van 15 jaar: 14,4 uren
c. bij het bereiken van de leeftijd van 40 jaar / danwel een diensttijd van 20 jaar: 21,6 uren
d. bij het bereiken van de leeftijd van 45 jaar / danwel een diensttijd van 25 jaar: 28,8 uren
e. bij het bereiken van de leeftijd van 50 jaar / danwel een diensttijd van 30 jaar: 36,0 uren
f. bij het bereiken van de leeftijd van 55 jaar / danwel een diensttijd van 35 jaar: 43,2 uren
2. De vermeerdering van het vakantieverlof als bedoeld in lid 1 wordt voor het eerst genoten in het jaar waarin de ambtenaar de vereiste leeftijd c.q. diensttijd bereikt.