**1..** In geval van boventalligheid stelt het diensthoofd de volgorde van plaatsing van de betrokken ambtenaren, bedoeld in artikel 5.2, in de ongewijzigde functie in de nieuwe organisatie vast overeenkomstig het afspiegelingsbeginsel zoals toegepast door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, met dien verstande dat van plaatsing kan worden uitgesloten de ambtenaar die blijkens een vastgestelde beoordeling ongeschikt is voor de functie.
**2..** In afwijking van het eerste lid kan het diensthoofd de volgorde van plaatsing, bedoeld in het eerste lid, vaststellen aan de hand van de mate van geschiktheid van de betrokken ambtenaren, bedoeld in artikel 5.2, voor de desbetreffende functie. Toepassing van dit lid vindt uitsluitend plaats als toepassing van het eerste lid tot zeer onwenselijke resultaten zou leiden met betrekking tot de bezetting van de nieuwe organisatie en uitsluitend nadat het betrokken medezeggenschapsorgaan hiermee voorafgaand schriftelijk heeft ingestemd.
1e lid: dit regelt de prioriteitsvolgorde bij boventalligheid. Hoofdregel is het in de private sector gehanteerde afspiegelingsbeginsel. Dit houdt in dat, wat betreft functies waarbij zich boventalligheid voordoet, het betrokken personeel wordt ingedeeld in leeftijdscohorten en vervolgens per cohort op basis van de duur van de diensttijd wordt geplaatst, totdat de beschikbare formatieruimte is uitgeput. Onder diensttijd wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan: de diensttijd bij de gemeente Den Haag. Gedetailleerde richtlijnen, uitleg en voorbeelden van de toepassing van het afspiegelingsbeginsel staan op de site van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV):
https://www.werk.nl/werk_nl/werkgever/meerweten/ontslag/ontslagprocedureviacwi/afspiegelingsbeginsel
Volgens voornoemde richtlijnen kan bij zwaarwegende redenen en in een beperkt aantal gevallen van het afspiegelingsbeginsel worden afgeweken. Het gaat dan om, voor zover hier relevant, de onmisbaarheid van een of meer werknemers of om de arbeidsmarktpositie van degene die niet wordt geplaatst in vergelijking tot die van degene die wel wordt geplaatst.
In incidentele gevallen kan een medewerker buiten de plaatsing worden gehouden. Dit is het geval als ten aanzien van deze medewerker eerder is geconstateerd dat deze structureel niet of niet meer geschikt voor de uitoefening van de functie. Daarvoor is vereist dat dit oordeel is vastgelegd in een vastgestelde beoordeling die rechtens onaantastbaar is geworden. In dat geval kan op deze medewerker hoofdstuk 10d ARG van toepassing worden verklaard (re-integratie vanwege ongeschiktheid voor de functie, anders dan wegens ziekte).
2e lid: dit regelt een aanvullende mogelijkheid tot afwijking van het afspiegelingsbeginsel, los van de eerdergenoemde afwijkingsmogelijkheden. Deze houdt in dat de individuele geschiktheid van medewerkers het plaatsingscriterium is voor de invulling van de bezetting van de nieuwe organisatie. De functievolgers die het meest geschikt zijn voor de functie, komen het eerst in aanmerking voor plaatsing. Toepassing hiervan vereist uiteraard de grootst mogelijke zorgvuldigheid en moet kunnen worden getoetst. Het oordeel over individuele medewerkers moet zijn gebaseerd zijn op verifieerbare gegevens en documenten, zoals beoordelingen en andere documenten waarin het oordeel over het functioneren van de ambtenaar is vastgelegd. Dit stelt strikte eisen aan een goed functionerende personele gesprekscyclus binnen het desbetreffende organisatieonderdeel. Uitsluitend geldige verslagen van personeelsgesprekken kunnen worden gebruikt; de gemeentelijke afspraak is dat verslagen van functioneringsgesprekken die meer dan drie jaren oud zijn niet meer worden gebruikt. Factoren zoals behaalde resultaten wegen mee voor zover deze zijn vastgelegd en toetsbaar zijn. Beslissingen over geschiktheid vereisen een heldere en objectieve motivering.
Daarnaast dient het voornemen tot toepassing van het tweede lid voorafgaand voor instemming (artikel 27 Wet op de ondernemingsraden) te worden voorgelegd aan het betrokken medezeggenschapsorgaan. Het diensthoofd moet gemotiveerd aangeven waarom hij van de afwijkingsmogelijkheid gebruik wenst te maken. Het medezeggenschapsorgaan moet in staat worden gesteld zich daarover een gedegen oordeel te vormen. Dat geldt ook voor door het diensthoofd aan te leveren kwantitatieve gegevens over gevoerde gesprekken in het kader van de periodieke gesprekscyclus, vastgestelde beoordelingen en dergelijke. Voorstelbaar is dat het medezeggenschapsorgaan zich ook een globaal beeld wil vormen van de kwaliteit van verslaglegging, mits dat niet tot individuele medewerkers herleidbaar is.
Het ligt voor de hand dat het diensthoofd al in het plan van aanpak voor de reorganisatie aangeeft of hij aan het tweede lid toepassing wil geven.
Paragraaf 5
Artikel 5.3
Plaatsingsvolgorde bij boventalligheid
Onderdeel van Sociaal beleidskader Den Haag 2011 (m.i.v. 1 januari 2014) en wijzigingsbesluit SBK per 1 januari 2014