**a..** De medewerker vraagt vóór het maken van een dienstreis toestemming aan zijn leidinggevende.
**b..** De leidinggevende kan met de medewerker periodieke afspraken maken over dienstreizen (denk aan frequentie en vervoermiddel).
**c..** De medewerker en de leidinggevende zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de meest doelmatige wijze van vervoer naar de bestemming.
Daarbij wordt rekening gehouden met :
reistijd (zo min mogelijk verlies van productieve uren)
bijkomende kosten, zoals parkeerkosten (zo min mogelijk kosten)
carpoolen (indien mogelijk)
beschikbaarheid dienstauto en dienstfiets
mogelijkheid tot gebruik OV (bij gebruik van de trein, mag 1e klasse worden gereisd).
**d..** Vertrekpunt voor dienstreizen of reizen voor studie is de werkplek , tenzij het daadwerkelijke vertrekpunt dichter bij het reisdoel ligt. In dat laatste geval wordt het aantal kilometers geteld vanuit het werkelijke vertrekpunt.
**e..** De declaratie van reis- en verblijfkosten vindt onder overlegging van bewijsstukken, zo spoedig mogelijk plaats, maar uiterlijk binnen 3 maanden volgend op de maand waarin de kosten gemaakt zijn.