**1.** De ambtenaar heeft recht op een vakantie-uitkering ten bedrage van 8% van de door hem genoten bezoldiging.
**2.** De vakantie-uitkering per maand bedraagt ten minste het in bijlage 2 van deze regeling genoemde bedrag, met dien verstande dat dit bedrag bij een deeltijdfunctie of bij genot van slechts een gedeelte van zijn bezoldiging naar evenredigheid wordt verminderd.
**3.** De vakantie-uitkering wordt eenmaal per jaar in de maand mei betaald over de periode van 12 maanden, die is aangevangen met de maand juni van het voorafgaande kalenderjaar.
**4.** Bij ontslag van de ambtenaar vindt bij de laatste salarisbetaling betaling plaats over het tijdvak, gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode, waarover de vakantie-uitkering is betaald en de datum van het ontslag.
**5.** De betalingen, bedoeld in dit artikel, hebben, onverminderd het bepaalde in artikel 4:88, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel C.16
Vakantie-uitkering
Onderdeel van Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies