Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf

Artikel C.16

Vakantie-uitkering

Onderdeel van Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies

1. De ambtenaar heeft recht op een vakantie-uitkering ten bedrage van 8% van de door hem genoten bezoldiging. 2. De vakantie-uitkering per maand bedraagt ten minste het in bijlage 2 van deze regeling genoemde bedrag, met dien verstande dat dit bedrag bij een deeltijdfunctie of bij genot van slechts een gedeelte van zijn bezoldiging naar evenredigheid wordt verminderd. 3. De vakantie-uitkering wordt eenmaal per jaar in de maand mei betaald over de periode van 12 maanden, die is aangevangen met de maand juni van het voorafgaande kalenderjaar. 4. Bij ontslag van de ambtenaar vindt bij de laatste salarisbetaling betaling plaats over het tijdvak, gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode, waarover de vakantie-uitkering is betaald en de datum van het ontslag. 5. De betalingen, bedoeld in dit artikel, hebben, onverminderd het bepaalde in artikel 4:88, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel