Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf

Artikel D.11

Zwangerschaps en bevallingsverlof

Onderdeel van Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies

1. De vrouwelijke ambtenaar heeft in verband met haar bevalling recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof. 2. Het recht op zwangerschapsverlof bestaat vanaf 6 weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling, zoals aangegeven in een aan de provincie overgelegde schriftelijke verklaring van een arts of verloskundige, tot en met de dag van de bevalling. Het zwangerschapsverlof gaat in uiterlijk 4 weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling. 3. Het bevallingsverlof gaat in op de dag na de bevalling en bedraagt 10 aanaangesloten weken, vermeerderd met het aantal dagen dat het zwangerschapsverlof tot en met de vermoedelijke datum van bevalling, dan wel, indien eerder gelegen, tot en met de werkelijke datum van bevalling, minder dan 6 weken heeft bedragen. 4. Voor de toepassing van het derde lid worden dagen waarover de vrouwelijke ambtenaar op grond van artikel 29a, tweede lid van de Ziektewet ziekengeld heeft genoten in de periode dat zij recht heeft op zwangerschapsverlof, maar dat verlof nog niet is ingegaan, aangemerkt als dagen waarover zij zwangerschapsverlof heeft genoten. 5. Gedurende het zwangerschaps- en bevallingsverlof behoudt de vrouwelijke ambtenaar haar aanspraak op bezoldiging. Op de bezoldiging wordt via een inhouding in mindering gebracht een bedrag, gelijk aan de uitkering krachtrens de Wet arbeid en zorg waarop zij gedurende het zwangerschaps- en bevallingsverlof recht heeft op gehad zou hebben als zij tijdig een aanvraag voor die uitkering zou hebben gedaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel