a. Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
1. als hoofdgebouw mogen uitsluitend woonhuizen worden gebouwd;
2. hoofdgebouwen dienen binnen een bouwvlak te worden gebouwd;
3. woonhuizen worden vrijstaand gebouwd, tenzij bouwpercelen zijn voorzien van een aanduiding 'aantal wooneenheden 2', in dat geval mag het aantal aaneen te bouwen woonhuizen niet meer bedragen dan twee;
4. de breedte van een woonhuis bedraagt ten minste 5 m;
5. de goothoogte van een woonhuis bedraagt ten hoogste 4 m, dan wel ten hoogste de bestaande goothoogte indien deze meer bedraagt;
6. de dakhelling van een woonhuis bedraagt niet minder dan 30° en niet meer dan 60º;
7. de afstand van een vrijstaand woonhuis, dan wel de niet-aangebouwde zijde van een aaneen gebouwde woning tot de perceelgrens zal ten minste 3 m bedragen, tenzij de bouwgrens en de bouwperceelgrens samenvallen, in welk geval in deze grens mag worden gebouwd;
8. in afwijking van vorenstaande geldt ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' dat de bestaande hoofdvorm van de gebouwen, bepaald door de oppervlakte van het grondvlak, gevelbreedte, goot- en bouwhoogte, dakhelling en nokrichting, gehandhaafd dient te worden, met dien verstande dat een afwijking van de goot- en/of nokhoogte van ten hoogste 5% is toegestaan.
b. Voor het bouwen van gebouwen voor nutsvoorzieningen gelden de volgende regels:
1. de inhoud bedraagt per gebouwtje niet meer dan 30 m³, dan wel niet meer dan de bestaande inhoud indien deze meer bedraagt;
2. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 3 m, dan wel niet meer dan de bestaande bouwhoogte indien deze meer bedraagt.
c. Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:
1. de gezamenlijke oppervlakte van vergunningplichtige bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 50% van het bij het hoofdgebouw behorend achtererfgebied, met een maximum van 100 m², dan wel, indien ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van deze verordening een grotere oppervlakte aanwezig is, de oppervlakte met een maximum van 200 m2;
2. bij de berekening van de oppervlakte en/of het percentage als bedoeld in lid 1 wordt niet meegerekend de oppervlakte binnen het bouwvlak, voor zover gelegen tussen het verlengde van de zijgevels van de woonhuizen;
3. de goothoogte bedraagt ten hoogste 3 m met dien verstande dat de goothoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk mag worden verhoogd tot ten hoogste 0,25 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw;
4. de afstand tot de zijdelingse perceelgrenzen bedraagt ten minste 1 m tenzij in de perceelgrens wordt gebouwd;
5. bijbehorende bouwwerken dienen minimaal 4 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het woonhuis te worden gebouwd en in geval van een platte afdekking minimaal 1 m.
d. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
1. indien het voor de voorgevel of een naar de weg gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt opgericht mag de bouwhoogte niet meer dan 1 m bedragen;
2. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, respectievelijk lichtmasten ten dienste van een paardenbak mag niet meer bedragen dan 1,5 m respectievelijk 6 m;
3. in overige gevallen mag de bouwhoogte niet meer dan 2 m bedragen;
4. in aanvulling op en in afwijking van het bepaalde onder 1 en 2 geldt voor een overkapping dat:
a. de bouwhoogte niet meer dan 3,25 m mag bedragen;
b. de afstand tot de zijdelingse perceelgrens niet minder dan 1 m mag bedragen, tenzij in de perceelgrens wordt gebouwd;
c. de afstand tot de voorgevel van het hoofdgebouw en het verlengde 0 m mag bedragen;
d. de oppervlakte niet meer dan 30 m² mag bedragen.
Hoofdstuk 2
Artikel 15.2
Bouwregels
Onderdeel van De beheersverordening Koekange van de gemeente De Wolden