**1..** De directeur van een dienst en de griffier dragen er zorg voor dat
uit ieder archiefbescheid, dan wel uit daarbij behorende informatie,
blijkt wanneer het is ontvangen of opgemaakt, wie de afzender of
vervaardiger is, op welke taak het betrekking heeft en wie de
behandelaar is, wat de status en het ontwikkelingsstadium ervan is,
en wanneer en aan wie een exemplaar ervan is verzonden.
**2..** Ten aanzien van archiefbescheiden dienen kenmerken zodanig te worden
vastgelegd dat ze met behulp daarvan op eenvoudige wijze kunnen
worden teruggevonden.
**3.** Het bepaalde in het vorige lid heeft enkel betrekking op
archiefbescheiden die benodigd zijn in het kader van de uitvoering
van een aan een dienst opgedragen taak en de verantwoording
daarover, of die in verband met enig wettelijk voorschrift worden
opgemaakt, ontvangen of bewaard, dan wel verband houden met de
communicatie met de burger.