Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 2.

Bepalingen

Onderdeel van Erfgoedverordening gemeente Soest 2014

Het bestuursorgaan kan bij verordening op grond van artikel 2.26, derde lid, Wabo ‘andere instanties’ aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen. De gemeente Soest heeft hiervoor de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit ingesteld. De taken van de commissie strekken zich uit over de Erfgoedverordening, de Wabo en de Monumentenwet 1988. Per 1 januari 2009 is de Monumentenwet 1988 op een aantal onderdelen gewijzigd. Een daarvan is dat de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (namens de minister) niet langer op alle vergunningaanvragen advies aan de gemeente uitbrengt. Alleen wanneer er sprake is van (gedeeltelijke) sloop, herbestemming, reconstructie of ingrijpende wijziging vraagt de gemeente de rijksdienst voor het cultureel Erfgoed nog om advies. Dat betekent dat de rol van de commissie groter is geworden. In het overgrote deel van alle plannen is zij het enige adviesorgaan van het college. De gewijzigde wet regelt ook dat alle gemeenten vanaf 1 januari 2009 een Monumentenverordening en dus ook een Monumentencommissie moeten hebben. Door de commissie in deze begripsomschrijving bevoegd te verklaren om over de toepassing van de Monumentenwet 1988 te adviseren aan het college, is voldaan aan het vereiste, genoemd in artikel 15, lid 1, van de Monumentenwet 1988. In het gedualiseerde bestel is een belangrijke vernieuwing dat elk bevoegd orgaan in de gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn commissies instelt. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit is een commissie die adviseert aan het college. Het is dan ook het college die deze commissie instelt op grond van artikel 84 Gemeentewet. De samenstelling en werkwijze dient het college nader uit te werken. In een dualistisch stelsel is het niet mogelijk dat de raad in zijn verordening bepaalt dat er een commissie is ingesteld welke adviseert aan het college. Het is immers aan het college om te bepalen of zij een adviescommissie wil. Deze redenatie gaat niet op voor de Monumentencommissie. In de Monumentenverordening wordt door de raad bepaald dat er een Monumentencommissie is die advies uitbrengt aan het college. Dit vloeit voort uit de Monumentenwet 1988. In artikel 15 van deze wet is bepaald dat de gemeente in een verordening de inschakeling van een commissie moet regelen die adviseert aan het college over aanvragen van vergunningen als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet 1988. De wetgever geeft hier dus aan dat het college in dit geval geen keuzevrijheid heeft ten aanzien van het instellen van een commissie. Door het ontbreken van deze keuzevrijheid is er geen strijdigheid met het duale uitgangspunt als de raad in zijn verordening bepaalt dat er een commissie is die adviseert aan het college. In de verordening wordt zo immers uitwerking gegeven aan het bepaalde in artikel 15 van de Monumentenwet 1988. Welstandscriteria en welstandsnota Alleen als in een welstandsnota aan de hand van criteria is aangegeven wat verstaan wordt onder ‘redelijke eisen van welstand’ kunnen burgemeester en wethouders een vergunningplichtig bouwwerk beoordelen op aspecten van welstand en kan de commissie hierover adviseren. Ook omgevingsvergunningvrije bouwwerken moeten aan minimale welstandseisen voldoen. Volgens artikel 13a van de Woningwet kunnen burgemeester en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat ‘in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand’ aanschrijven om die strijdigheid op te heffen. De criteria hiervoor moeten in de welstandsnota zijn opgenomen. Zonder nota met criteria is geen welstandstoezicht meer mogelijk. De welstandsbeoordeling dan wel advisering dient gebaseerd te worden op de in de nota opgenomen criteria. In artikel 12a van de Woningwet wordt bepaald dat deze criteria ‘zo veel mogelijk zijn toegesneden op de onderscheidene categorieën bouwwerken en standplaatsen en dat de criteria kunnen verschillen naargelang de plaats waar een bouwwerk of standplaats is gelegen’. Dit biedt mogelijkheden om de criteria per samenhangend deel van de gemeente uit te werken. Zowel binnen als buiten de bebouwde kom verschillen gebieden ten aanzien van de bestaande kwaliteiten en ten aanzien van de verwachte en/of beoogde ruimtelijke ontwikkelingen, die vastliggen in een bestemmingsplan of specifieke beleidsdocumenten, bijvoorbeeld in het kader van landschapsverbetering, stedelijke vernieuwing of architectuurbeleid. De bestaande situatie en de beleidsdoelen voor de toekomst zullen in de meeste gevallen de basis vormen voor een passend welstandsbeleid. De welstandsnota is derhalve een dynamisch document. Steeds als er nieuwe gebieden worden ontwikkeld, vormen de beleidsregels voor het betreffende gebied een toevoeging aan de nota, mits telkens opnieuw de vaststellingsprocedure (inspraak ex artikel 150 Gemeentewet en vaststelling door de raad) wordt gevolgd. Indien burgemeester en wethouders de welstandscriteria in bijzondere gevallen buiten toepassing laten als bedoeld in artikel 4:84 Awb (inherente afwijkingsbevoegdheid), dient dit wel per concreet geval deugdelijk door burgemeester en wethouders te worden gemotiveerd. De welstandscriteria uit de welstandsnota spelen een rol bij: de toetsing van aanvragen om omgevingsvergunning; het toepassen van bestuursdwang tegen bouwen in strijd met hetgeen bij of krachtens de Woningwet is bepaald. Relatie bestemmingsplan en welstand De jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 gaat uit van de voorrangsregel uit artikel 9 Woningwet, inhoudende dat de welstandstoets zich dient te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. De welstandsnorm is in 1991 door de wetgever van artikel 34 van de (Model)bouwverordening 1965 overgeheveld naar artikel 12 van de Woningwet en het welstandscriterium is sinds 1991 in artikel 44 van die wet omschreven als zelfstandige toetsingsgrond voor bouwaanvragen. De voorrangsregeling van artikel 9 was daardoor niet rechtstreeks van toepassing. De jurisprudentie heeft uit dit stelsel van de wet afgeleid dat die voorrang is blijven bestaan (ABRS 25 april 1995, BR 1995, 579, ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 en ABRS 18 februari 2000, Gst.2000, 7119). In lijn met artikel 9 Woningwet is de voorrang van het bestemmingsplan op de welstandseisen thans uitdrukkelijk geregeld in artikel 12, derde lid van de Woningwet. Daarin is tevens bepaald dat ook de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening boven de welstandseisen prevaleren. In artikel 12b, eerste lid van de Woningwet is bovendien expliciet vastgelegd dat óók de commissie deze voorrangsregeling moet betrekking bij de advisering. Het bestemmingsplan is immers het wettelijk instrument waarmee, langs de in de Wet ruimtelijke ordening aangegeven en met bijzondere waarborgen omklede weg, aan gronden een bestemming is gegeven en de daarbij behorende bebouwings- en gebruiksmogelijkheden worden aangegeven. Dit betekent dat de welstandstoets niet mag leiden tot beperkingen die een reële verwezenlijking van de aan de grond toegekende bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, belemmeren (vgl. ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 m.n. A.G.A. Nijmeijer). De kans dat die situatie zich voordoet is kleiner naarmate het bestemmingsplan meer mogelijkheden biedt de toegekende bestemming te realiseren. Samenstelling van de commissie In de wet is bepaald dat een commissie die monumentale zaken beoordeeld deskundig en onafhankelijk moet zijn. De deskundigheid van deze commissie is gewaarborgd indien minimaal kennis aanwezig is op het gebied van restauratietechniek, bouwhistorie, architectuurhistorie, landschap/stedenbouw/historisch geografie en archeologie. Deskundigheid op het gebied van lokale of regionale geschiedenis is aan te bevelen. Gelet op de vereiste deskundigheid bestaat een dergelijke commissie ten minste uit 5 leden. Het is mogelijk dat één persoon meerdere disciplines in zich verenigt. De voorzitter kan één van de deskundigen zijn maar dient vooral over bestuurlijke kwaliteiten te beschikken. De onafhankelijkheid komt in het geding als niet aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: Onafhankelijkheid ten opzichte van het gemeentebestuur en Het voorkomen van belangenverstrengeling. De onafhankelijkheid ten opzichte van het gemeentebestuur impliceert dat leden van het college en leden van de gemeenteraad geen lid kunnen zijn van de commissie, ook niet als stemgerechtigd lid of als voorzitter. Aangezien het niet past om zichzelf te adviseren of de vergadering te beïnvloeden, kunnen gemeenteambtenaren evenmin lid van een de commissie zijn. Ook niet als deze ambtenaren van een andere afdeling zijn dan de direct betrokken afdeling. Een gemeenteambtenaar kan wel secretaris van de commissie zijn indien is vastgelegd dat hij geen lid van deze commissie is. In Soest is gekozen om de monumenten- en welstandcommissie te integreren in de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit om zo een brede advisering over ruimtelijke kwaliteit te bevorderen. Integratie is alleen geslaagd indien de bezetting en de deskundigheid gelijkelijk is verdeeld en daarom zal de commissie bestaan uit 6 leden, waarvan minimaal 3 leden met de hierboven genoemde kennis en minimaal 3 leden met kennis op het gebied van ruimtelijke kwaliteit en architectuur. Tevens bestaat de commissie uit een voorzitter en daarnaast een secretaris. Tijdens de commissievergadering zal er zo nodig ter ondersteuning een technisch medewerker van de afdeling Vergunning en Handhaving aanwezig zijn. In de advisering van de commissie wordt duidelijk onderscheid gemaakt tussen het monumentenadvies en het welstandsadvies. De beoordeling vindt immers plaats op basis van verschillende criteria. Dit omdat zij een verschillende wettelijke achtergrond hebben en over verschillende zaken gaan. Ook met het oog op juridische implicaties moet in de advisering aan het college het welstands- en monumentendeel van het advies afzonderlijk herkenbaar zijn. Als in de commissie de argumenten vanuit welstand en monumentenzorg strijdig zijn, gaan deze (eventueel voorzien van een toelichting) in die vorm naar het college. Erfgoedzorg gaat primair over het behoud van zaken die er zijn, welstand gaat (meestal) over zaken die er nog niet zijn. Om die reden prevaleert bij het afgeven van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen en wijzigen monument het standpunt vanuit het monumentenbelang. Benoeming van commissieleden

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel