Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Maatstaf van heffing en belastingtarieven

Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2014

1.. De belasting wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd. Het aantal kubieke meters wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater en grondwater dat in het belastingtijdvak naar het perceel is toegevoerd of is opgepompt en bedraagt: indien in het perceel een watermeter van Vitens is geplaatst, dan wel de gebruiker beschikt over een eigen installatie voor het oppompen van water en in beide gevallen het totale waterverbruik niet meer bedraagt dan 600 kubieke meter per jaar: een vast bedrag van € 105,96, vermeerderd met € 0,53 per kubieke meter water, afgenomen van Vitens dan wel door middel van een eigen installatie opgepompt; indien in het perceel geen watermeter, als bedoeld onder a, aanwezig is, hoewel dit perceel is aangesloten op het waterleidingnet van Vitens, noch over een eigen pompinstallatie wordt beschikt: een vast bedrag van € 158,95 per jaar; bij een waterverbruik van meer dan 600 kubieke meter per jaar, ongeacht of het water is afgenomen van Vitens dan wel door middel van een eigen pompinstallatie is verkregen: € 0,78 per kubieke meter verbruikt water. 2.. Indien gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet deze zijn voorzien van een: watermeter, waarvan de opgepompte hoeveelheid water kan worden afgelezen of; bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest, kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling. 3. . De op voet van het eerste lid, onder c berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is afgevoerd. 4.. In afwijking in zoverre van het eerste lid is het tarief, indien het belastingtijdvak een gedeelte van een kalenderjaar of gedeelten van kalenderjaren omvat, gelijk aan de som van zoveel 365e en in geval van een schrikkeljaar 366e delen van het voor het desbetreffende kalenderjaar geldende tarief als daarvan dagen behoren tot het belastingtijdvak.

Rechtspraak bij dit artikel