Naar hoofdinhoud
1.. De leden van de cliëntenraad worden benoemd voor een periode van 48 maanden vanaf het moment van aanstelling. Hierna kunnen zij eenmaal worden herbenoemd. 2.. De zittingsperiode van de voorzitter is gelijk aan die van de leden van de cliëntenraad. 3.. Het lidmaatschap eindigt: op verzoek van het betreffende lid; als de periode verstreken is en het lid niet voor herbenoeming in aanmerking komt; door overlijden van het lid. 4.. Tot beëindiging van het lidmaatschap wordt overgegaan: indien het lid handelt in strijd met deze verordening; wanneer het lid herhaaldelijk (verwijtbaar) verzuimt aan vergaderingen deel te nemen; als het lid spreekt namens de cliëntenraad zonder machtiging daartoe; bij het schenden van afgesproken geheimhouding; bij herhaaldelijke verstoring van de vergaderorde. 5.. Het lidmaatschap van lid van de cliëntenraad kan tussentijds door de colleges worden beëindigd bij ernstig disfunctioneren. 6.. De beëindiging van het lidmaatschap kan plaatsvinden als bedoeld in artikel 6 lid 4: nadat het betreffende lid in de gelegenheid is gesteld zich door de cliëntenraad te laten horen; op voorstel van de cliëntenraad met meerderheid van stemmen en met redenen omkleed aan de colleges. 7.. De colleges kunnen, op unaniem voorstel van de cliëntenraad, indien dit niet langer voldoende vertrouwen in het functioneren van de voorzitter heeft, en gehoord de betrokkene, de benoeming intrekken. 8.. De benoeming van de voorzitter kan tussentijds door de colleges worden ingetrokken bij ernstig disfunctioneren.

Rechtspraak bij dit artikel