In deze afdeling wordt verstaan onder:
houtopstand: één of meer bomen of boomvormers, een houtwal, een houtsingel of een grotere (lint)begroeiing van struiken;
boom: een houtachtig gewas met een stamomtrek van minimaal 31 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de stamomtrek van de dikste stam. De stamomtrek kan kleiner zijn indien sprake is van een boom in het kader van de herplant- of instandhoudingsplicht;
iedere houtachtige plant die zich van de grond af vertakt en waarvan de omtrek van de dikste stam op 1,3 meter hoogte vanaf het maaiveld, niet meer bedraagt dan 31 centimeter;
houtwal: verhoogde lintvormige smalle beplantingsstrook met daarop op geregelde afstand of aaneengesloten bomen of boomvormers en struiken;
houtsingel: lintvormige, veelal langs een sloot gelegen, beplantingsstrook van bomen of boomvormers (doorgaans elzen) al dan niet in combinatie met struiken (doorgaans meidoorn);
groot onderhoud:
bij markante bomen: incidenteel, achterstallig onderhoud, niet zijnde structureel onderhoud, waarbij dode, zwakke of hinderlijke takken worden verwijderd en/of de groeiplaats wordt verbeterd;
bij houtsingels en houtwallen: periodiek geheel afzetten bij wijze van onderhoudsmaatregel van daarvoor geschikte boomsoorten, in de volksmond ook wel aangeduid als afzetten;
vellen: rooien; kappen; verplanten; het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand tot gevolg kunnen hebben;
knotten/kandelaberen: het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als noodzakelijk periodiek onderhoud;
markante boom: een boom of houtopstand die als zodanig is aangewezen op een door burgemeester en wethouders vast te stellen bomenlijst als bedoeld in artikel 4, lid 1;
erf: het perceel, of een gedeelte daarvan dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw;
bebouwde kom; de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid van de Boswet.
cypresachtigen: hieronder vallen de zogenaamde “tuinconiferen”welke onderdeel uitmaken van de navolgende families: Cupressus, Chamaecyparis, Cupressocyparis, Thuja, Thujopsis, Libocedrus en Juniperus;
Boomwaarde; de monetaire waarde van een boom zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen.