Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 20.

Beperkingen

Onderdeel van Verordening Maatschappelijke ondersteuning

De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt niet toegekend wanneer: De noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waarbij de aanvrager een woning heeft achtergelaten die voor hem voldeed aan wat in deze verordening wordt verstaan onder het normaal gebruik van de woning en er geen andere belangrijke reden aanwezig was; De aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college; Deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten van woongebouwen die vanaf de planvorming en bouw bestemd zijn voor specifieke doelgroepen; De woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd, gezins- situatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak; e.De aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg, of er in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn ondervonden;

Rechtspraak bij dit artikel