**1..** Aan de ambtenaar wiens bezoldiging als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage, als bedoeld in artikelen 17,18 en 19, een blijvende verlaging ondergaat, wordt door
Burgemeester en Wethouders een aflopende toelage toegekend, indien:
die blijvende verlaging ten minste 3% bedraagt van de som van het salaris en de toelage, als bedoeld in artikel 13, en
de ambtenaar de toelage – als bedoeld in artikelen 17,18 en 19 – direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende ten minste vier jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.
**2..** In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt aan de ambtenaar van 60 jaar of ouder wiens bezoldiging als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage – als bedoeld in artikelen 17,18 en 19 – een blijvende verlaging ondergaat, een blijvende toelage toegekend, indien de ambtenaar de toelage – als bedoeld in artikelen 17,18 en 19 – direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan gedurende ten minste 10 jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.
**3..** De in het eerste lid bedoelde aflopende toelage gaat, wanneer de ambtenaar de leeftijd van 60 jaar bereikt en hij onmiddellijk voor de aanvang van die toelage gedurende tenminste 10 jaren zonder wezenlijke onderbreking een toelage – als bedoeld in artikelen 17,18 en 19 – heeft genoten, over in een blijvende toelage als bedoeld in het vorige lid.
**4..** Voor de toepassing van de voorgaande leden wordt onder wezenlijke onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan zes maanden.
**5..** De toelage wordt op de volgende wijze afgebouwd: in het eerste jaar met 0%, in het tweede jaar 25%, in het derde jaar 50%, in het vierde jaar 75% en daarna volledig.
**6..** Burgemeester en Wethouders kunnen voor de uitvoering van dit artikel nadere regels vaststellen.