Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Afdeling 5

Artikel 2:10

Het plaatsen van voorwerpen op, aan of boven de weg in strijd met de publieke functie daarvan en/of het opbreken van openbare grond

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2014

Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de weg of een weggedeelte te gebruiken anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, Een vergunning bedoeld in het eerste lid of een melding als bedoeld in lid 4, onder c kan worden geweigerd indien: het beoogde gebruik schade kan toebrengen aan de weg, gevaar kan opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. Een vergunning bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd indien het opslag van roerende zaken betreft waarvan het beoogd gebruik is bedoeld voor commerciële doeleinden, zoals het drijven van handel vanuit een container. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op: uitstallingen, zonneschermen en voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard, indien wordt voldaan aan de door het bevoegd gezag vastgestelde nadere regels. terrassen bij bedrijven (anders dan bij horecabedrijven), indien: vooraf de exploitatie van het terras aan de burgemeester is gemeld. De melding bestaat in elk geval uit: de naam en het adres van het bedrijf, de indeling en uitvoering van het terras, de periode waarin het terras wordt geëxploiteerd, een plattegrond met de afmetingen van het terras. voldaan wordt aan de door de burgemeester vastgestelde nadere regels. c.opslag van roerende zaken op openbare grond, waaronder ook bedoeld tijdelijke verkeersmaatregelen, alsmede het opbreken van openbare grond, waaronder ook te verstaan graven en spitten in openbare grond, indien: tenminste 30 dagen voorafgaand aan de opslag op of opbreken van openbare grond en/of tijdelijke verkeersmaatregelen wordt gemeld aan het bevoegd gezag; door het bevoegd gezag binnen twee weken na ontvangst geen tegenbericht is verzonden; voldaan wordt aan de richtlijnen uit CROW-publicatie Werk In Uitvoering 96b; er geen weigeringsgronden gesteld in lid 2 zich voordoen. het bevoegd gezag kan nadere regels stellen aan het bepaalde in lid 4, onder c. De meldingsplicht in lid 4, onder c geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening. Het bevoegd gezag kan voor vlaggen en spandoeken een vergunning verlenen indien wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld in de beleidsregel Vlaggen en Spandoeken. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het gebruik voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid onder j of onder k van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 7. a. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswetgeving 1994 of de Wegenverordening Noord-Holland. De weigeringsgrond van het zevende lid onder a geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet. De weigeringsgrond van het zevende lid onder b geldt niet voor bouwwerken. De weigeringsgrond van het zevende lid onder c geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel