In deze afdeling wordt verstaan onder:
boom: houtachtige, overblijvende gewassen met een dwarsdoorsnede van de stam minimaal 20 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstemmigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam;
hakhout: één of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;
houtopstand: hakhout, op houtwal, heesters en struiken in een bosplantsoen of één of meer bomen;
dunning: velling, die uitsluitend als voorzorgsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd;
knotten: het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud;
boomwaarde: het bedrag dat wordt gevonden door het product van de volgende factoren: - de oppervlakte in cm2 van de dwarsdoorsnede op 1,3 meter boven het maaiveld; - de geïndexeerde eenheidsprijs per cm2; - de standplaatswaarde; - de conditiewaarde; - de waarde van de plantwijze;
monumentale boom: een boom die als zodanig is aangewezen op de door het college vastgestelde lijst;
waardevolle toekomst boom: een boom die als zodanig is aangewezen op de door het college vastgestelde lijst;
gemeentelijke boom: een boom welke op grond staat in eigendom van de gemeente;
voor de toepassing van deze verordening wordt onder vellen mede verstaan rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.
Hoofdstuk 4 › Afdeling 3
Artikel 4:10
Begripsbepalingen
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2014