Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 4

Artikel 4

Onderdeel van Verordening Arnhemse Starterslening 2014

1.. Het college is bevoegd om met inachtneming van het bepaalde in deze verordening een Arnhemse Starterslening toe te kennen. 2.. Het college stelt de hoogte van de Arnhemse Starterslening vast, met dien verstande dat de hoogte van de Starterslening maximaal 20% mag bedragen van de verwervingskosten van de woning. 3.. De maximale hoogte van de Arnhemse Starterslening bedraagt € 25.000,--. 4.. De maximale grens van de verwervingskosten van de aan te kopen woning bedraagt voor het jaar 2014 nog € 250.000,--. Deze grens zal conform de bepalingen en normen van de Nationale Hypotheek Garantie (NHG) van de Stichting Waarborgfonds Eigen Woning, in 2015 dalen naar een maximale grens van € 245.000,-- en in 2016 naar een grens van € 225.000,-- incl. kosten koper en verbeteringskosten. 5.. De eerste hypothecaire lening alsmede de Arnhemse Starterslening moeten worden verstrekt met een borgstelling van de Nationale Hypotheek Garantie (NHG). 6.. Het college kan bij zijn beslissing om een Arnhemse Starterslening te verstrekken op grond van het eerste en tweede lid rekening houden met financiële steun die op grond van enige andere regeling is of kan worden toegekend. 7.. De Arnhemse Starterslening wordt niet in combinatie met andere koop- en financierings-varianten verstrekt. 8.. Het college kan aan de toekenning van een Arnhemse Starterslening nadere voorschriften verbinden. 9.. Een starterslening bij de koop van een nieuwbouwwoning wordt alleen toegekend als de verkopende ontwikkelende partij, belegger of woningcorporatie aan de gemeente Arnhem een bijdrage cq. vergoeding in de beheers- risico- en rentekosten levert. Deze kosten bedragen maximaal € 5.000,-- (20% van 25.000,--) of naar rato bij een lager leningbedrag. 10.. De Arnhemse Starterslening wordt niet verstrekt aan aanvragers die in het bezit zijn van een permanent huurcontract en hun huidige reguliere huurwoning kopen van een woningcorporatie of grote particuliere institutionele verhuurder cq. belegger. 11.. Het college is bevoegd het in het derde lid genoemde bedrag aan te passen.

Rechtspraak bij dit artikel