1. In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. achtererfgebied: erf achter de met het
aangrenzend openbaar toegankelijk gebied evenwijdig gelegen lijn, die
het hoofdgebouw raakt:
1. aan een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde
zijgevel, op 1 m achter het snijpunt met de voorgevel,
en, 2. aan een naar openbaar toegankelijk gebied
gekeerde zijgevel, op het snijpunt met de achtergevel;
b. bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld
ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet;
c. bomensingel: lijnvormige element als begrenzing langs wegen of
cultuurgronden, rond erven en of gebouwen. Een bomensingel heeft geen
grondlichaam zoals een houtwal en kan variëren in breedte. d. boom: een
houtachtig, overblijvend gewas met een stamdoorsnede van de stam van
minimaal 10 centimeter op
1,3 meter hoogte boven het
maaiveld;
e. boomwaarde: waarde van de boom vastgesteld volgens de methode
Raad of het Rekenmodel boomwaarde;
f. dunning: velling ter
bevordering voor de duurzame instandhouding van de houtopstand. Wordt de
kroonsluiting teruggebracht tot minder dan 60%, dan is er sprake van
kap;
g. hakhout: één of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld
opnieuw op de stronk uitlopen; h. houtopstand: één of
meer bomen, hakhout, een houtwal, een beplanting van
bosplantsoen; i. houtwal: lijnvormige element als
begrenzing langs wegen of tussen cultuurgronden, landbouwgronden,
weilanden en percelen. Een houtwal bestaat uit een grondlichaam met al
dan of niet een greppel aan beide zeiden met daarop een struiklaag en
eventueel een kruidenlaag en een bomenlaag;
j. kandelaberen: het uitdunnen van de kroon van een boom, waarbij
de resterende takken tot ongeveer de helft van hun lengte worden
teruggesnoeid, met dien verstande dat het in stand houden van de door
kandelaberen ontstane kroonvorm onder het begrip knotten
valt;
k. knotten: periodiek geheel of gedeeltelijk verwijderen van
uitgelopen takhout tot op de oude snoeiplaats;
l. laanbeplanting: bomen die aan weerszijden van een weg of pad
staan in een regelmatig ritme;
m. kweekgoed: bomen in alle boomsoorten bestemd voor verkoop en
geteeld op daarvoor bestemde terreinen; n.
monumentale boom: een boom met een leeftijd van minimaal 80 jaar. De
boom is door zijn leeftijd en verschijning beeldbepalend, onvervangbaar
voor het karakter van de omgeving en van landelijk belang. Een
uitzondering op de leeftijd van 80 jaar kan gemaakt worden voor een
herdenkingsboom of een boom met een grote
dendrologische waarde. Verder
mogen de bomen niet in een onherstelbare slechte conditie verkeren en
volledig verval van de boom mag niet binnen tien jaar te verwachten
zijn.
2. In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan rooien, met
inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen, zowel
boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of
ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.
3.Voor het bepalen van de
stamdoorsnede van een boom gelden de volgende
richtlijnen:
1. de stamdoorsnede wordt gemeten op 1,3
meter boven het maaiveld;
2. bij meerstammige bomen
geldt de doorsnede van de dikste stam.
Artikel 4:10