**1..** Burgers hebben spreekrecht. Een burger kan het woord voeren in de vergadering over zijn zienswijze ten aanzien van een geagendeerd onderwerp.
**2..** Degene die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit driemaal vierentwintig uur voor aanvang van de vergadering aan de commissiesecretaris. Hij vermeldt daarbij zijn naam, adres en telefoonnummer en het agendapunt, waarover hij het woord wil voeren.
**3..** Op verzoeken om het woord te mogen voeren, welke zijn ingediend na het in het eerste lid bedoelde tijdstip beslist de raadscommissie op voorstel van de voorzitter.
**4..** De voorzitter geeft het woord op volgorde van aanmelding. De voorzitter kan van de volgorde afwijken, indien dit in het belang is van de orde van de vergadering.
**5..** De inspreker voert maximaal vijf minuten het woord, nadat de voorzitter hem dit heeft verleend. De spreektijd wordt één maal toegekend, ongeacht het aantal personen en/of instellingen een inspreker vertegenwoordigt. De raadscommissie kan op voorstel van de voorzitter de inspreker een andere spreektijd toekennen.
**6..** De voorzitter kan de inspreker het woord ontnemen indien naar zijn oordeel het betoog geen of onvoldoende betrekking heeft op het aan de orde zijnde onderwerp.
**7..** Nadat de inspreker aan het woord is geweest, wordt de raadscommissie in de gelegenheid gesteld om informatieve vragen te stellen aan de inspreker. De inspreker krijgt de gelegenheid om de vragen te beantwoorden. Er vindt geen discussie plaats tussen een inspreker en deelnemers van de vergadering.
**8..** Agendapunten waarvoor zich insprekers hebben gemeld worden zoveel mogelijk aan het begin van de vergadering behandeld.
HOOFDSTUK 3. › Paragraaf 2.
Artikel 10.
Spreekrecht burgers
Onderdeel van Verordening op de raadscommissies 2014