De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 7 en 8, wordt vastgesteld op:
Vijf procent van de bijstandsnorm of grondslag van de uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie;
Tien procent van de bijstandsnorm of grondslag van de uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie;
Twintig procent van de bijstandsnorm of grondslag van de uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie;
Honderd procent van de grondslag van de uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen gedurende een maand bij gedragingen van de vierde categorie.
Hoofdstuk 2.
Artikel 9.
Hoogte en duur van de verlaging
Onderdeel van Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015