**1.** Voor de berekening van de subsidiabele loonkosten kan de aanvrager
kiezen uit:
de loonkosten-plus-overhead-systematiek, opgenomen in lid
2
de vaste-uurtarief-systematiek, opgenomen in lid 3, of
een andere door het Rijk, Rijksinstantie of de Europese
Commissie aanvaarde en gebruikelijke methode, opgenomen in
lid 4.
**2.** Indien de aanvrager kiest voor de
loonkosten-plus-overhead-systematiek, worden de subsidiabele kosten
berekend op basis van het brutoloon volgens de loonstaat van de
betrokken medewerkers, verhoogd met de wettelijke dan wel op grond
van een collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor
sociale lasten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van 1.650
productieve uren per jaar bij een voltijds dienstverband van 40
uren, vermeerderd met een vaste opslag voor indirecte kosten van
30%. Per medewerker zijn jaarlijks maximaal 1.650 gedeclareerde uren
subsidiabel.
**3.** Indien de aanvrager kiest voor de vaste-uurtarief-systematiek,
worden de subsidiabele kosten berekend door het aantal uren dat de
direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten
behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt te vermenigvuldigen met
een vast uurtarief van € 40,--, waarin zowel de directe loonkosten
als daaraan toegerekende indirecte kosten zijn begrepen.
**4.** Indien de aanvrager kiest voor een door het Rijk, Rijksinstantie of
de Europese Commissie aanvaarde methode, dan dient de aanvrager
bewijsstukken van aanvaarding te overleggen.
**5.** De loonkosten per fte zijn, in voor komende gevallen, slechts
subsidiabel voor zover deze voldoen aan de ‘Wet normering
bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke
sector’.