Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Roerdalen 2015”.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de gemeenteraad, op 30 oktober 2014
De gemeenteraad van Roerdalen,
De griffier, De voorzitter,
R.J.J. Notermans mr. M.D. de Boer-Beerta
Toelichting bij Verordening maatschappelijke ondersteuning
HOOFDSTUK 1 BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN
artikel 1.1 Begripsomschrijvingen
Onder a Algemeen gebruikelijke voorziening
Wat in een concrete situatie als algemeen gebruikelijk te beschouwen is, hangt af van de geldende maatschappelijke normen van het moment van de aanvraag. Het begrip “algemeen gebruikelijk” is reeds geconcretiseerd in de Wmo 2007-jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Om duidelijk te maken wat in de wet verstaan wordt onder dit begrip is de begripsomschrijving vanuit de jurisprudentie in de verordening opgenomen. Het gaat daarbij om de volgende voorzieningen die:
- in de reguliere handel verkrijgbaar zijn;
- niet speciaal voor personen met een beperking bedoeld zijn;
- die niet duurder is dan vergelijkbare producten.
Er moet altijd in het individuele geval worden bekeken of de voorziening ook voor de cliënt algemeen gebruikelijk is. De Centrale Raad heeft aangegeven dat als het gaat om vervanging van een zaak die (nog lang) niet afgeschreven is en als het gaat om een persoon die een inkomen heeft dat door onvermijdbare kosten op grond van de beperkingen onder de bijstandsnorm komt, wellicht een uitzondering op dit principe gemaakt moet worden.
Onder e Hoofdverblijf
Waar iemand woonachtig is wordt in eerste instantie bepaald door waar iemand staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen. De zinsnede “dan wel zal staan
ingeschreven” verwijst naar situaties waarin sprake is van een aanstaande verhuizing naar een andere woning die nog aangepast moet worden voordat deze daadwerkelijk wordt betrokken. De persoon met beperkingen dient een feitelijk woonadres, dat afwijkt van het adres in de Basisregistratie Personen, aan te tonen.
Onder f Huisgenoot
Iedereen met hetzelfde hoofdverblijf kan als huisgenoot worden aangemerkt, met uitzondering
van de kamerhuurder en de kostganger. Deze uitzondering geldt alleen als er sprake is van een
commerciële relatie tussen de kamerhuurder/kostganger en de hoofbewoner(s). Als er een
familierelatie bestaat, zal er over het algemeen niet snel sprake zijn van kamerverhuur of
kostgangerschap. Het hoofdverblijf hoeft niet op hetzelfde adres te zijn. Het kan ook op hetzelfde perceel gelegen zijn. Ook bij een kangoeroe-woning kan dus sprake zijn van huisgenoten.
Onder k Voorliggende voorziening
Dit is een voorziening op grond van andere wetgeving, die voorgaat op de wet. Te denken valt hierbij aan onder meer voorzieningen waarop de cliënt aanspraak kan maken op basis van de Zorgverzekeringswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Wet langdurige zorg).
artikel 1.2 Verantwoordelijkheid college
Bij participatie gaat het om het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. Met maatschappelijk verkeer wordt hetzelfde bedoeld als maatschappelijk leven. Hiermee sluit de definitie van participatie aan bij die van de International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF). Dit wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Daarvoor is ook een vereiste dat hij zich kan verplaatsen.
De omschrijving van zelfredzaamheid bevat twee elementen:
Het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen;
Algemene dagelijkse levensverrichtingen zijn de handelingen de mensen dagelijks in het gewone
leven verrichten. Voor de zelfredzaamheid van cliënten kan gedacht worden aan: in en uit bed
komen, aan- en uitkleden, persoonlijke verzorging (bij behoefte aan geneeskundige zorg, of een
hoog risico daarop, valt de persoonlijke verzorging onder de Zorgverzekeringswet) bewegen/lopen,
gaan zitten en weer opstaan, lichamelijke hygiëne, toiletbezoek, eten/drinken, medicijnen
innemen, ontspanning en sociaal contact.
Het voeren van een gestructureerd huishouden.
Hierbij kan onder andere gedacht worden aan: zelfstandig wonen in een geschikt huis, zelfstandig
wonen in een schoon en leefbaar huis, beschikken over schone, draagbare kleding, beschikken over
goederen voor primaire levensbehoeften, beschikken over maaltijden, zelfstandig administratie
kunnen voeren en het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren.
HOOFDSTUK 2 MELDING, ONDERZOEK EN AANVRAAG
Artikel 2.1 Melding
Dit artikel beschrijft wie de melding kan doen en hoe de melding kan worden gedaan. In principe kan
iedereen namens de cliënt een signaal afgeven dat de cliënt behoefte heeft aan maatschappelijke
ondersteuning. Echter de melding in de zin van artikel 2.3.2 van de wet kan alleen worden gedaan door of namens de cliënt. Voor die formele eis is bewust gekozen. Het college moet namelijk binnen zes weken na een melding een uitgebreid onderzoek hebben uitgevoerd.
artikel 2.2 Cliëntondersteuning
Het eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college in artikel 2.2.4 lid 1 onder a en lid 2 van de wet. De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van cliënten te geven. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar burgers informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit. Het gaat om onafhankelijke cliëntondersteuning. Die kan ook worden geboden door iemand uit het sociaal
wijkteam die handelt vanuit zijn professionele autonomie. In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2 lid 3 van de wet bepaald dat het college de betrokkene na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van cliëntondersteuning.
Artikel 2.3 Onderzoek
De wijze van onderzoek is omschreven in de wet. Er is bewust gekozen om de wijze van toegang summier in de verordening op te nemen. In de wet zijn al voldoende waarborgen voor de cliënt opgenomen waar het college zich aan moet houden.
artikel 2.4 Medewerking cliënt en huisgenoten
Dit is een uitwerking van artikel 2.3.8 van de wet. Echter voor het beoordelen of gebruikelijke hulp verlangd kan worden, is het van belang om ook de huisgenoten te kunnen beoordelen. Daarom is ervoor gekozen om ook huisgenoten te kunnen oproepen om hen te bevragen dan wel te onderzoeken. In lid 2 is de verplichting beschreven voor de huisgenoot om medewerking te verlenen. Verleent de cliënt of de huisgenoot geen medewerking dan kan de aanspraak op een maatwerkvoorziening niet worden vastgesteld.
artikel 2.5 De aanvraag
Dit artikel beschrijft wie de aanvraag kan doen en hoe de aanvraag kan worden gedaan. Een aanvraag kan alleen worden gedaan door of namens de cliënt. Voor die formele eis is bewust gekozen. Het college moet namelijk binnen twee weken na een aanvraag een besluit nemen. In het derde lid zijn een tweetal bepalingen van overeenkomstige toepassing verklaard
HOOFDSTUK 3 MAATWERKVOORZIENING
artikel 3.1 Criteria voor een maatwerkvoorziening
Lid 1
Op grond van artikel 2.3.2 lid 5 van de wet is het college verplicht de cliënt of diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek te verstrekken. Bij het beoordelen van de aanspraak voor een maatwerkvoorziening welke voorzieningen getroffen gaan worden, neemt het college dat onderzoeksverslag, indien aanwezig, als uitgangspunt. Het college kan alleen afzien van het verstrekken van de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek indien de cliënt aangeeft geen prijs te stellen op het onderzoeksverslag. Dat kan zich onder andere voordoen als de onderzoeksprocedure ertoe heeft geleid dat de cliënt wegen heeft gevonden om zelf of met hulp van anderen te participeren.
Lid 2
Het verstrekken van een maatwerkvoorziening is in het kader van de wet nadrukkelijk de hekkensluiter. Alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst bied, moet er een maatwerkvoorziening worden verstrekt. Dus het college zal zorgvuldig onderzoeken wat de cliënt op eigen kracht of met hulp van personen uit zijn sociale netwerk (gebruikelijke hulp, mantelzorg of anderszins) kan doen om de problematiek te verkleinen of op te lossen en wat gebruikmaken van algemene voorzieningen daaraan kan bijdragen.
Een algemene voorziening kan pas dan een oplossing voor een cliënt bieden zodra deze:
1. daadwerkelijk beschikbaar is;
2. door de cliënt financieel gedragen kan worden;
3. naar verwachting adequate compensatie biedt.
Er moet een langdurige noodzaak aanwezig zijn. Er wordt rekening gehouden met de behoeften van de cliënt maar uitgangspunt is dat beoordeeld wordt wat noodzakelijk is om de cliënt te laten participeren en in staat te stellen tot zelfredzaamheid.
Lid 3
De voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar objectieve
maatstaven gemeten zowel passend als de meest goedkope voorziening te zijn. Datgene wat de cliënt als een meest passende oplossing voor zijn beperkingen beschouwt wordt meegewogen in de beoordeling van het verantwoord zijn van de voorziening. Ook het criterium inzake de kosten van de voorziening, spelen een rol bij de uiteindelijke beoordeling van het al dan niet verantwoord zijn van een voorziening. Voorzieningen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer passend maken, komen in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking.
artikel 3.2 Algemene weigeringsgronden
Onder a
Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt indien de maatwerkvoorziening voor de persoon van de cliënt algemeen gebruikelijk is. Voor het begrip algemeen gebruikelijk wordt verwezen naar de toelichting op artikel 1.1.
Onder b
Dit onderdeel bepaalt hetzelfde als artikel 1.2.1 van de wet. De plicht tot het verstrekken van een
maatwerkvoorziening beperkt zicht tot ingezetene van de gemeente.
Onder c
Het doel van deze bepaling is het college niet in de positie te brengen dat de noodzaak, adequaatheid en passendheid van aangevraagde voorzieningen niet meer kunnen worden beoordeeld. Zijn de kosten reeds gemaakt dan wordt er vanuit gegaan dat de cliënt zijn beperkingen op eigen kracht kan oplossen.
Onder d
Hier wordt aangegeven dat de maatwerkvoorziening geweigerd kan worden als het gaat om een
vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad, terwijl het de cliënt verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet indien de cliënt geen schuld treft. Indien een ander aansprakelijk is voor het verloren gaan, dient bekeken te worden of het mogelijk is deze derde door de aanvrager hiervoor aansprakelijk te doen stellen om zodoende de kosten te kunnen verhalen.
Onder e
De wet bevat geen bepaling, zoals artikel 2 Wmo 2007, die regelt dat een aanspraak op grond van een andere wet voorgaat. Daarom is een dergelijke bepaling in de verordening opgenomen. Ook regelt de verordeningsbepaling, vergelijkbaar aan artikel 15 van de Wet werk en bijstand, dat kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt. Daarbij valt te denken aan rollators die niet meer vergoed worden via de basiszorgverzekering.
Onder f
In artikel 2.3.8 van de wet is de medewerkingsverplichting van de cliënt opgenomen.
Op basis van lid 1
moet de cliënt op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doen van alle feiten en
omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij aanleiding geven tot een ander besluit. Voorts moet de cliënt op grond van lid 3 aan het college medewerking verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de Wmo 2015. In artikel 2.3 van deze verordening is voor de huisgenoten van de huisgenoten een medewerkingsplicht neergelegd. Verleent de cliënt of de huisgenoot geen medewerking dan kan de aanspraak op een maatwerkvoorziening niet worden vastgesteld.
Onder g en h
Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening als de cliënt zijn hulpvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen. Indien een cliënt is aangewezen op een rolstoel en een huis koopt waarin veel dure aanpassingen moeten worden aangebracht, had het in de rede gelegen dat de cliënt in een al aangepast huis zou zijn gaan wonen.
Onder i
De verhuizing naar een inadequate woning wordt hier genoemd als weigeringsgrond. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden, maar gewoon omdat men daar zin in heeft. Een uitzondering in deze bepaling is de zogeheten ‘belangrijke reden’. Hierbij kan worden
gedacht aan een verhuizing vanwege het aanvaarden van werk.
artikel 3.3 Maatwerkvoorziening ten behoeve van het wonen
Lid 1 onder a
Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor problemen zorgen. Te denken valt aan bijvoorbeeld het opheffen van allergene factoren of van andere problemen die hun oorzaak vinden in de aard van de in of aan de woonruimte gebruikte materialen. Dit risico komt voor de cliënt. Er hoeft dan geen maatwerkvoorziening verstrekt te worden. Daarnaast is de cliënt
verantwoordelijk, zoals ieder ander, om zaken als achterstallig onderhoud zelf op te lossen (indien het een eigen woning betreft) of zijn verhuurder hiervoor aansprakelijk te stellen.
Lid 1 onder b
Bij het verlenen van een voorziening is de reikwijdte van de verordening beperkt tot het
hoofdverblijf van de cliënt. Er hoeft bijvoorbeeld geen maatwerkvoorziening te worden getroffen aan een tweede woning (vakantiewoning).
Lid 1 onder c
In dit artikel is aangegeven dat slechts enkele aanpassingen ten behoeve van gemeenschappelijke ruimten voor vergoeding in aanmerking komen. In het kader van de Wmo 2007 heeft de CRvB geoordeeld dat een dergelijke bepaling in het algemeen niet in strijd met de in artikel 4 lid 1 Wmo 2007 neergelegde
compensatieplicht. Bij ondervonden beperkingen moet het college wel op andere wijze zorgdragen voor maatschappelijke ondersteuning. Het college kan dan bijvoorbeeld in plaats van een voorziening in de gemeenschappelijke ruimte, een verhuiskostenvergoeding verstrekken.
Lid 1 onder d
Het uitgangspunt is dat iedereen altijd zoekt naar een voor hem op dat moment meest geschikte
beschikbare woning, uiteraard passend bij het bestedingspatroon. Laat de cliënt dat na, dan hoeft er geen maatwerkvoorziening voor de nieuwe woning verstrekt te worden. Uitgezonderd de situatie dat het college voorafgaand aan de verhuizing toestemming heeft gegeven.
Lid 1 onder e
Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin de beperkingen opgeheven kunnen worden door renovatie of aanpassingen aan de eisen van de tijd. De cliënt is hier zelf voor verantwoordelijk.
Lid 1 onder f
Een voorziening wordt alleen verstrekt als het woonruimten betreft die als zelfstandige
woonruimte in het kader van de Wet op de huurtoeslag ook als zodanig aangemerkt worden.
Lid 1 onder g
Geen woonvoorzieningen worden verstrekt in woongebouwen voor ouderen of personen met beperkingen. Dit geldt voor woongebouwen die specifiek gericht zijn op mensen met beperkingen of die in de praktijk bewoond worden door een specifieke groep en waarvan vast staat dat de aangevraagde voorziening niet voldoet aan de voor een dergelijke woning op grond van wettelijke voorschriften, algemeen aanvaarde regels of contractuele bepalingen geldende vereisten. Indien het woongebouw wel zou voldoen aan die vereisten, dan zou de aangevraagde voorziening niet nodig zijn geweest.
Lid 1 onder i
Woningen die niet geschikt zijn om het gehele jaar te bewonen kunnen ook niet – als hoofdverblijf –
adequaat gemaakt worden. Daarvoor zal dus per definitie geen woonvoorziening worden verstrekt;
aanpassen leidt niet tot een adequate situatie en verhuizen vanuit een dergelijke woning naar een
woning die wel geschikt is om het gehele jaar te bewonen kan als algemeen gebruikelijk worden
beschouwd. Ook zonder beperking zal men immers moeten verhuizen naar een woning die wel het
gehele jaar bewoonbaar is. Ook deze weigeringsgrond heeft weer betrekking op de eigen kracht/eigen verantwoordelijkheid.
Lid 1 onder j
In feite gaat het bij verhuizing vanuit het ouderlijk huis of vanuit een vergelijkbare situatie naar een
zelfstandige woonruimte om een algemeen gebruikelijke verhuizing.
Lid 2 Primaat verhuizen
Dit lid regelt het primaat van primaat van verhuizen (lid 2). Bij de beoordeling of het primaat kan worden toegepast wordt altijd gekeken naar de individuele omstandigheden van het geval.
artikel 3.4 Maatwerkvoorziening ten behoeve van vervoer
De omvang een te verstrekken voorziening voor vervoer wordt begrensd op 1500-2000 km. Deze grens is overgenomen uit de Wmo 2007-jurisprudentie. Daarin is bepaald dat een vervoersvoorziening of een combinatie van vervoersvoorzieningen die neerkomt op een aflegbare afstand in de bandbreedte van ongeveer 1500 tot 2000 kilometer per jaar, in beginsel toereikend is om de cliënt in staat te stellen sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag. Als de vervoersbehoefte lager is, kan ook een lager aantal kilometers toegekend worden.
In het tweede lid is het primaat van collectieve voorzieningen, zoals het collectief vervoer, geregeld.
artikel 3.5 Vaststelling vorm van maatwerkvoorziening
Een maatwerkvoorziening kan in natura en in de vorm van een persoonsgebonden budget worden
verstrekt. Natura en pgb zijn gelijkwaardige alternatieven. De cliënt kan daarbij kiezen voor een pgb. Wel stelt de wet een aantal voorwaarden en ook deze verordening. Om in aanmerking te komen voor
persoonsgebonden budget moet de cliënt een budgetplan opstellen.
In het budgetplan geeft de cliënt onder andere aan:
• welke zorg hij/zij nodig heeft;
• waarom hij/zij aan de slag wil met een persoonsgebonden budget;
• wat hij/zij wil realiseren; en
• hoe hij/zij deze wil inkopen (tegen welke prijs); en
• hoe de hulp bijdraagt in het resultaat (o.a. kwaliteit).
Dit is geen limitatieve opsomming. Het plan is een goede manier om de eigen regie in beeld te brengen en helpt startende budgethouders op weg.
artikel 3.6 Criteria persoonsgebonden budget
Artikel 2.3.6 lid 2 en 4 bevatten een aantal (deels facultatieve) criteria om in aanmerking te komen voor een persoonsgebonden budget. In aanvulling daarop bevat dit artikel een aantal weigeringsgronden voor een persoonsgebonden budget. Deze sluiten deels aan bij de verplichting voor de cliënt om een budgetplan te overleggen, indien hij in aanmerking wil komen voor een persoonsgebonden budget. Voor het overige zijn de weigeringsgronden afgeleid van de Regeling subsidies AWBZ.
artikel 3.7 Hoogte persoonsgebonden budget
Dit artikel bevat de hoofdregels voor het bepalen van de hoogte van het persoonsgebonden budget. Het is aan het college overgelaten om nadere regels vast te stellen, met inachtneming van het bepaalde in dit artikel. Wel geldt onverkort dat zorg in natura en een persoonsgebonden budget een gelijkwaardige positie hebben. Bij het bepalen van de hoogte van het persoonsgebonden budget neemt het college het door de cliënt opgesteld budgetplan in aanmerking. Bovendien is het persoonsgebonden budget nooit hoger dan de prijs die het college betaalt aan de leverancier of aanbieder. Een cliënt mag diensten betrekken van personen die behoren tot het sociale netwerk. Die vrijheid mag de gemeente niet beperken. De gemeente mag alleen voorwaarden stellen ten aanzien van het tarief. In lid 2 onder b en c is gebruik gemaakt van de bevoegdheid om voorwaarden ten aanzien van het tarief vast te stellen. Het persoonsgebonden budget ten behoeve van het betrekken van diensten van personen die behoren tot het sociale netwerk is gemaximeerd op een percentage van de kosten die het college
verschuldigd is aan de leverancier bij een voorziening in natura. Het college stelt het percentage vast in het Wmo-besluit.
artikel 3.8 Beschikking
Dit artikel benoemt een aantal onderwerpen dat in een toekenningsbeschikking in ieder geval moet worden opgenomen. Daarnaast vloeien uit met name de Algemene wet bestuursrecht een aantal eisen, die niet zijn herhaald in deze verordening. Zo moet de beschikking de motivering bevatten.
HOOFDSTUK 4 BIJDRAGE IN DE KOSTEN
artikel 4.1 Bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen
Dit artikel regelt dat een cliënt bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening een eigen bijdrage is
verschuldigd. Onder de Wmo 2015 blijft geen bijdrage voor rolstoelen verschuldigd. Bij een
woningaanpassing ten behoeve van kinderen jonger dan 18 jaar kan een bijdrage worden opgelegd, voor de overige voorzieningen ten behoeve van kinderen jonger dan 18 jaar is geen bijdrage mogelijk. Voor de hoogte wordt aansluiting gezocht bij de landelijke bijdrageregeling (Uitvoeringsbesluit Wmo 2015). Hier wordt uitgegaan van de maximale variant. De bijdrage mag niet meer bedragen dan de kostprijs. De cliënt betaalt dus niet meer dan de gemeente kwijt is aan kosten voor het verstrekken van de voorziening.
Lid 4 geeft aan dat de bijdrage wordt vastgesteld en geïnd door het CAK.
De bijdrage mag niet meer bedragen dan de kostprijs. De kostprijs is omschreven in artikel 4.3 van deze verordening.
artikel 4.2 Bijdrage in de kosten voor algemene voorzieningen
De wet maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen en
maatwerkvoorzieningen. De bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen mag de gemeente bepalen en dit mag kostendekkend zijn. In de verordening is bepaald dat voor een algemene voorziening een bijdrage in de kosten verschuldigd kan zijn. Het college bepaalt in het Wmo-besluit in welke gevallen de bijdrage in de kosten wordt opgelegd en regelt de omvang van deze bijdrage in de kosten. De bijdrage mag niet meer bedragen dan de kostprijs. De kostprijs is omschreven in artikel 4.3 van deze verordening.
artikel 4.3 Kostprijs
In de wet is bepaald dat de bijdrage in de kosten niet meer mag bedragen dan de kostprijs en dat in de verordening moet worden weergegeven op welke wijze de kostprijs wordt berekend. In dit artikel is de wijze van berekening van de kostprijs weergegeven. De kostprijs is bij een voorziening in natura de prijs die de gemeente aan de aanbieder betaald. Onder bijkomende kosten wordt in ieder geval verstaan onderhoud, reparatie en verzekering. Bij een persoonsgebonden budget is de kostprijs gelijk aan het bedrag van het persoonsgebonden budget.
HOOFDSTUK 5 KWALITEIT
artikel 5.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning
In dit artikel zijn de kwaliteitseisen neergelegd. De kwaliteitseisen vloeien voort uit de wet.
artikel 5.2 Prijs- kwaliteitverhouding
Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van reële prijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.
artikel 5.3 Meldingsregeling calamiteiten en geweld
In artikel 3.4 lid 1 van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet.
In aanvulling op het bovenstaande regelt artikel 5.3 dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het vierde lid kan het college bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.
HOOFDSTUK 6 EISEN AAN AANBIEDERS
artikel 6.1 Eisen aan klachtafhandeling door aanbieder
In dit artikel is aangegeven dat alle leveranciers een regeling moeten treffen voor de behandeling van
klachten van cliënten ten aanzien van gedragingen van de aanbieder jegens een cliënt. De gemeente laat de leveranciers vrij om de regeling vorm te geven. Er wordt wel gecontroleerd of de leveranciers een regeling in het leven hebben geroepen.
artikel 6.2 Medezeggenschap
De gemeente kiest er bewust voor om een regeling voor medezeggenschap ten aanzien van alle
voorzieningen niet verplicht te stellen. Het verplicht stellen kan tot effect hebben dat kleine
aanbieders/leveranciers afhaken en cliënten minder keuzevrijheid hebben bij een voorziening in natura. Dit is niet gewenst.
HOOFDSTUK 7 BEEINDIGING, HERZIENING, INTREKKING EN TERUGVORDERING
De wettelijke bepaling over met name terugvordering zijn summier en artikel 2.3.10 maakt geen duidelijk onderscheid tussen enerzijds beëindiging en anderzijds intrekking en herziening. Bij beëindiging is sprake indien de aanspraak op een maatwerkvoorziening wordt aangetast met ingang van het heden of naar de toekomst toe. Het ongedaan maken van de aanspraak op een Wmo-voorzieningen over een periode in het verleden, wordt intrekken genoemd. Herzien is het over een periode in het verleden afwijkend vaststellen van de aanspraak op een maatwerkvoorziening.
Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot intrekking en herziening, geen terugwerkende kracht. Het college moet, voordat het besluit tot intrekking van een voorziening, een afweging maken tussen alle bij het te nemen besluit betrokken belangen, waarbij het belang van belanghebbende om te participeren zwaar dient te wegen.
In de wet is slechts een terugvorderingsgrond opgenomen. Alleen indien de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, kan het college op grond van de wet overgaan tot terugvordering. De gemeente heeft er daarom voor gekozen om de terugvorderingsgronden uit te breiden. Er moet wel onderscheid worden gemaakt tussen de terugvorderingsbepaling in de wet en de terugvorderingsgronden in de verordening voor wat betreft de invordering. Bij de terugvorderingsgronden in de verordening moet de invordering langs civielrechtelijke weg moet geschieden. Dit betekent onder meer dat in elk afzonderlijk geval moet worden aangetoond dat er sprake is van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 e.v. BW). In de praktijk zal de onverschuldigdheid van de betaling ontstaan door het nemen van een herzienings- of intrekkingsbesluit. Bij de in de wet opgenomen terugvorderingsgrond heeft het college de mogelijkheid het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel in te vorderen. Er is sprake van een executoriale titel, waarmee direct beslag kan worden gelegd.
HOOFDSTUK 8 BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK
In dit hoofdstuk is aangegeven op welke wijze het ten onrechte ontvangen van maatwerkvoorzieningen alsmede het misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet wordt bestreden. Belangrijk is om de cliënt bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening nadrukkelijk te wijzen op zijn rechten en plichten en te wijzen op de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik. Het college controleert de rechtmatigheid van de maatwerkvoorziening en bij het vermoeden van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Het college kan
bij de controle onder meer gebruikmaken van huisbezoeken, risicoprofielen en bestandsvergelijkingen en de samenloopsignalen die daaruit voortkomen.
HOOFDSTUK 9 JAARLIJKSE BLIJK VAN WAARDERING
artikel 9.1 Jaarlijkse blijk van waardering
Dit artikel bepaalt op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. De voorwaarden om in aanmerking te komen voor de
waardering zijn in dit artikel opgenomen. Het college moet in het Wmo-besluit vastleggen waaruit de blijk van waardering bestaat. De toegang is laagdrempelig in die zin dat zowel de cliënt als de mantelzorger kan verzoeken om de blijk van waardering.
HOOFDSTUK 10 SLOTBEPALINGEN
artikel 10.1 Hardheidsclausule
Dit artikel geeft aan dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt kan afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van
overwegende aard leidt. Juist omdat het in de wet om maatwerk gaat zal het college er niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale
omstandigheden te verwachten is, immers, bij de afwegingen gaat het al om een individuele beoordeling. Als desondanks bij die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet.
Hoofdstuk 10
Artikel 10.5
Citeertitel
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Roerdalen2015
Verwijzingen
- artikel 6
- artikel 6
- Artikel 2
- artikel 5
- artikel 4
- artikel 1
- artikel 3
- artikel 6
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 4
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 4
- artikel 5
- artikel 2
- artikel 3
- artikel 5
- artikel 6
- artikel 1
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 3
- artikel 4
- artikel 2
- artikel 3
- artikel 1
- artikel 2
- artikel 1
- artikel 9
- artikel 4
- artikel 2
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 2
- artikel 3
- artikel 4
- artikel 3
- artikel 10
- artikel 2
- artikel 3
- artikel 2
- artikel 6
- artikel 2
- artikel 5