Naar hoofdinhoud

Artikel 170,

eerste lid, van de WVW 1994:

Onderdeel van Wegsleepverordening Almere 2014

Tot de bevoegdheid van burgemeester en wethouders tot oplegging van een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 125 van de Gemeentewet, behoort de bevoegdheid tot het overbrengen en in bewaring stellen van een op de weg staand voertuig, indien met het voertuig een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift wordt overtreden en bovendien verwijdering van het voertuig noodzakelijk is in verband met het belang van de veiligheid op de weg, of; het belang van de vrijheid van verkeer, of; het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen. Op grond van de tot 1 juli 2002 geldende wetgeving mochten op de weg staande voertuigen alleen worden weggesleept in het belang van de veiligheid op de weg, de vrijheid van het verkeer of het vrijhouden van invalidenparkeerplaatsen. Sinds de herziening mag een voertuig ook weggesleept worden als fout parkeren als zeer hinderlijk wordt ervaren zonder dat de veiligheid op de weg of de vrijheid van het verkeer direct in het geding is. Direct optreden tegen dergelijke fout geparkeerde voertuigen kan in bepaalde gevallen zeer wenselijk zijn. Hierbij kan worden gedacht aan het onbevoegd parkeren op laad- en loshavens, taxistandplaatsen, marktterreinen, voetgangersgebieden en dergelijke. Een voertuig kan niet zonder meer worden weggesleept als aan een van de criteria wordt voldaan. Degene die met de uitvoering van de wegsleepverordening is belast, dient per geval na te gaan of in dat specifieke geval het wegslepen van het desbetreffende voertuig noodzakelijk is. Van de bevoegdheid tot het overbrengen en in bewaring stellen wordt geen gebruik gemaakt als de rechthebbende het voertuig verwijdert voordat met de overbrenging een aanvang wordt gemaakt (artikel 170, lid 6, van de WVW 1994. De overbrenging vangt aan op het moment dat het vastkoppelen van het fout geparkeerde voertuig aan de takelwagen is voltooid). De kosten verbonden aan de voorbereiding van de overbrenging zijn overigens wel verschuldigd (Artikel 170, lid 6, tweede en laatste volzin, van de WVW1994). 3.Last onder bestuursdwang en WetMulder Wanneer een voertuig fout geparkeerd staat en wegsleepwaardig is, bestaan de volgende methoden op daartegen op te treden: Daartoe aangewezen politie- of een bijzondere opsporingsambtenaren kunnen overgaan tot het opmaken van een proces-verbaal; Burgemeester en wethouders kunnen bestuursdwang toepassen, bestaande uit het wegslepen van het voertuig. In de regeling tot 2002 bestond er een onlosmakelijk verband tussen beide vormen van optreden. Voordat tot wegslepen van een voertuig kon worden overgegaan, moest altijd eerst een proces-verbaal worden opgemaakt. Indien de zaak werd geseponeerd of wanneer vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging volgde, dienden ook de kosten van het wegslepen en bewaren van het voertuig worden terugbetaald. Deze koppeling is vervallen. Het opmaken van een proces-verbaal is niet meer vereist om het voertuig weg te kunnen slepen. Het opmaken van een proces-verbaal en de toepassing van bestuursdwang kunnen naast elkaar worden toegepast. 4.Wegsleepwaardige overtredingen Zoals hiervoor reeds is aangegeven mag een voertuig sinds de herziening van de WVW 1994 ook weggesleept worden als fout parkeren als zeer hinderlijk wordt ervaren zonder dat de veiligheid op de weg of de vrijheid van het verkeer direct in het geding is. De concrete situatie bepaalt of het fout parkeren als zeer hinderlijk wordt ervaren. Er kan daarom geen compleet overzicht worden gegeven van de gevallen waarin een voertuig weggesleept zal kunnen worden. Verkeersveiligheid en doorstroming Voertuig geplaatst op de weg. Een voertuig is tot stilstand gebracht op een trottoir, voetpad of fietspad, tenzij het een fiets, bromfiets of invalidenvoertuig betreft (zie artikel 10 en artikel 5 tot en met 7 van het RVV1990). Laten stilstaan voertuig (zie artikel 24, 25, 38 e.v. en 46 van het RVV1990 en bord E1 van bijlage 1 bij het RVV1990). Een voertuig is tot stilstand gebracht: op een kruispunt, rotonde of een overweg; op een fietsstrook of de rijbaan langs een fietsstrook; op een oversteekplaats of binnen een afstand van 5 meter daarvan; in een tunnel; op de busbaan; langs een gele doorgetrokken streep of in strijd met bord E2 van bijlage 1 van het RVV 1990; op de rijbaan, inclusief de invoeg- en uitrijstrook, van een autosnelweg of autoweg, of – behoudens in noodgevallen – op de vluchtstrook, de vluchthaven of de berm van zo een weg. Parkeren voertuig (zie artikel 24, 25, 38 e.v. en 46 van het RVV1990 en bord E1 van bijlage 1 bij het RVV1990). Een voertuig is geparkeerd: bij een kruispunt op een afstand van minder dan 5 meter daarvan; voor een inrit of een uitrit; buiten de bebouwde kom op de rijbaan van een voorrangsweg; langs een gele onderbroken streep of in strijd met bord E1 van bijlage 1 van het RVV 1990; op een wijze waardoor er sprake is van dubbel parkeren; binnen een erf, waarbij – voor zover het een motorvoertuig betreft – geen gebruik is gemaakt van de parkeerplaatsen die als zodanig zijn aangeduid of aangewezen; op een weg waarvoor een geslotenverklaring geldt; zonder dat de voorgeschreven voertuigverlichting geldt; Tot stilstand brengen voertuig in strijd met een bevel of aanwijzing Een voertuig dat tot stilstand is gebracht in strijd met een bevel of een aanwijzing, gegeven door een daartoe bevoegde en als zodanig kenbare ambtenaar of ander persoon. Gevaarlijk of hinderlijk gedrag Een voertuig dat zodanig tot stilstand is gebracht of geparkeerd dat gevaar op de weg wordt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt of kan worden gehinderd (zie artikel 5 van de WVW1994). Vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen op een weg of weggedeelte waar door middel van bord E1 van bijlage 1 van het RVV 1990 of door middel van een gele onderbroken streep als bedoeld in artikel 24, lid 1, onder e, van het RVV 1990 wordt aangegeven dat ter plaatse een parkeerverbod geldt; op een weg of weggedeelte waar door middel van bord E2 van die bijlage of door middel van een gele doorgetrokken streep als bedoeld in artikel 23, lid 1, onder g, van het RVV 1990 wordt aangegeven dat ter plaatse een verbod stil te staan geldt; op een parkeerplaats nader aangeduid door bord E4 van die bijlage (al dan niet met onderbord) voor zover: het voertuig niet behoort tot de toegelaten categorie of groep voertuigen; het voertuig op een andere wijze dan de aangegeven wijze is geparkeerd; het voertuig op andere dagen of uren dan aangegeven is geparkeerd; op een taxistandplaats, nader aangeduid door bord E5 van die bijlage, tenzij het parkeren gebeurt met een (dienstdoende) taxi; een gehandicaptenparkeerplaats, nader aangeduid door bord E6 van die bijlage, tenzij: het parkeren gebeurt met een als zodanig herkenbaar gehandicaptenvoertuig; gebruik wordt gemaakt van een geldige en duidelijk zichtbaar aangebrachte gehandicaptenparkeerkaart; een gehandicaptenparkeerplaats, nader aangeduid door bord E6 van die bijlage, die gereserveerd is voor een bepaald voertuig, tenzij het parkeren gebeurt met dat voertuig; op een laad- en losplaats, nader aangeduid door bord E7 van die bijlage, tenzij de bestuurder van het voertuig aantoonbaar bezig is met het onmiddellijk laden en lossen van goederen, niet zijnde een verhuizing; op een parkeerplaats, nader aangeduid met bord E8 van die bijlage voorzover het voertuig niet behoort tot de toegelaten categorie of groep van voertuigen; op een parkeerplaats, nader aangeduid door bord E9 van die bijlage en bestemd voor vergunninghouders, tenzij het parkeren gebeurt met het voertuig waarvoor een parkeervergunning is afgegeven; in een voetgangersgebied, nader aangeduid door bord G7 of C1 van die bijlage. Artikelsgewijze toelichting

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel