Toetsingscriteria voor het omzetten van een pand in een kamerverhuurpand
Het pand waarvoor vergunning wordt gevraagd heeft een woonbestemming op grond van het bestemmingsplan of de eigenaar van het pand beschikt over een vergunning om af te wijken van het bestemmingsplan voor het gebruik als kamerverhuurpand.
Parkeren
Kamerverhuur tot en met drie kamers is mogelijk zonder consequenties voor parkeren; er wordt dan geen aanvullende parkeereis gesteld.
Kamerverhuur vanaf vier kamers is alleen mogelijk via een gemeentelijke parkeertoets (op kosten van de aanvrager). De gemeente zal bepalen of het parkeren door de kamerverhuur opgevangen kan worden op privaat terrein of in de openbare ruimte. De aanvullende parkeernorm per extra bewoner is 0,6 parkeerplaats bovenop de voor de woning geldende norm. Dit is conform de normen van het CROW. In de openbare ruimte mag de parkeerdruk door de kamerverhuur ’s avonds en ’s nachts niet boven de 90% komen. Hiervoor wordt doorgaans een parkeeronderzoek uitgevoerd (op kosten van de aanvrager). In de parkeervergunningzones is deze eis op woningen die verder dan 150 m loopafstand zijn gelegen van de vergunningzonegrens niet van toepassing, omdat er per zelfstandig adres in de A-zone (binnenstad) slechts één parkeervergunning aangevraagd kan worden en er dus geen kans op extra parkeerdruk bestaat. In de overige zones zijn wel meer vergunningen per adres mogelijk, maar pas nadat alle eerste vergunningen zijn uitgegeven en als er dan nog ruimte is voor tweede vergunningen.
Intrekking van de omzettingsvergunning
Burgemeester en wethouders kunnen de omzettingsvergunning intrekken:
indien blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave hebben verleend;
indien blijkt dat de houder niet heeft voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 9 lid 1 t/m 5 van deze beleidsregels.
indien vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat handhaving van de vergunning zou leiden tot een verstoring van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, dan wel een verstoring van een geordend woon- en leefmilieu van het gebouw waarop de vergunning betrekking heeft;
indien het aantal onzelfstandige woonruimten en/of het aantal bewoners afwijkt van het in de aanvraag en vergunning vermelde aantal.
de vergunninghouder het gebruik van het gebouw waarvoor de omzettingsvergunning is verleend beëindigt.
Burgemeester en wethouders gaan niet tot intrekking van de vergunning over, voordat degene tegen wie het besluit tot intrekking wordt genomen daarvan in kennis is gesteld en in de gelegenheid is gesteld zijn of haar zienswijze tegen het voorgenomen besluit kenbaar te maken.